Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de schennis daarvan niet te verontschuldigen is. De slavernij was destijds zeer hard, en wij hebben den Heere te danken, dat die ruwe behandeling is afgeschaft. Toch verklaart God van uit den hemel, dat het Hem welgevallig is, dat slaven het juk dragen, gelijk Hij ook door den mond van Paulus hen niet onder belofte van vrijheid te wapen roept, noch de heeren van hunnen dienst berooft, maar slechts beveelt, dat zij welwillend en fatsoenlijk zouden behandeld worden, Efeze 6 vs. 9. Ook kan men uit de tijdsomstandigheden besluiten, dat de burgerlijke orde niet alleen uit dwang moet geëerbiedigd worden, maar dat men krachtens zijn geweten de wettige machten moet gehoorzamen. Want al kon Hagar als voortvluchtige niet meer met kracht en geweld tot gehoorzaamheid gedwongen worden, voor God was haar staat niet veranderd. Met hetzelfde argument kan men bewijzen, dat als heeren de slaven soms wat al te hard behandelen, of overheden de onderdanen harder kwellen dan betaamt, men toch hunne hardheid moet dragen, en er geen wettige reden is, om het juk of te schudden, al oefenen zij ook al te heerschzuchtig hunne heerschappij uit. Kortom, zoo dikwijls het in ons opkomt, iemand in zijn recht te verkorten, of ons aan onze wettige roeping te onttrekken, moet de stem des Engels in onze ooren klinken, alsof God met uitgestrekten arm ons tegenhield. Zij, die trotsch of tyranniek geheerscht hebben, zullen eenmaal aan God rekenschap afleggen, doch de onderdanen moeten intusschen hunne hardheid verdragen, totdat God hun te hulp komt, die gewoon is de gebogenen op te richten en het lot der onderdrukten te verzachten. Als men eene vergelijking maakt, is het recht der overheid veel dragelijker dan die vroegere overheersching. Aan de vaderlijks macht komt van nature liefde en genegenheid toe. Zoo nu Hagars vlucht door Gods bevel verhinderd werd. veel minder zal God dan de teugelloosheid verdragen van een volk, dat tegen zijn vorst opstaat, of van kinderen, die zich aan de gehoorzaamheid der ouders hebben onttrokken.

Vanwaar komt gij? Hij vraagt dit niet als iets twijfelachtigs, maar opdat Hagar zou weten, dat zij geene kans had om uitvluchten te zoeken, berispt hij nadrukkelijk hare vlucht. Hij zeide als het ware: Door Uwe plaats te verlaten en te gaan zwerven zult gij niets vorderen, want Gods

Sluiten