Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar dit wordt hem als een geneesmiddel en eene verlichting van het kwaad toegevoegd, dat hij zijne vijanden tot staan zou kunnen brengen, al had hij nog zoovele tegenstanders.

Hij zal wonen voor het , angezicht zijner broederen. Daar dit slechts betrekking heeft op het volk, zoo zien wij hier nog beter, dat zij dwalen, die deze plaats beperken tot Ismaëls persoon ; ook zijn er, die dit zoo verstaan, dat Ismaëls nakomelingen eene vaste woonplaats zouden hebben bij hunne broederen tegen den zin van dezen. Mozes zegt, als het ware, dat zij met geweld het land, dat zij bewoonden, zouden innemen, al trachten hunne broederen dit ook te verhinderen. Anderen brengen eene tegenovergestelde meening bij, dat de Israëlieten ondanks de groote massa hunner vijanden toch geen gebrek zouden hebben aan vrienden en broeders. Doch ik keur geene van beide meeningen goed, want de engel geeft veel meer te kennen, dat dit volk van de overigen zou afgezonderd zijn. Het is dus alsof hij zeide, het zal geen deel of stuk uitmaken van eenig volk, maar het zal een geheel lichaam zijn, en eenen afzonderlijken en bijzonderen naam hebben.

12. Zij noemde den Naam des Hecren. Ik twijfel er niet aan of Mozes bedoelt, dat Hagar, nadat zij door den engel was vermaand, van gezindheid is veranderd en, aldus in de engte gebracht, zich tot bidden heeft gezet. Anders wordt hier meer eene bekentenis der tong dan eene verandering van gemoed aangeduid. Ik hel echter meer over tot dit gevoelen, dat Hagar vroeger met eenen woesten en onbuigzamen geest bezield, nu eindelijk Gods voorzienigheid begint te erkennen. Dat enkelen meenen, dat hier sprake is van den God des aanziens, omdat Hij verschijnt en Zich openbaart aan menschen, is gedrongen. Veeleer gevoelt en bekent Hagar thans, terwijl zij vroeger gedacht had, dat zij door het toeval in de woestijn geleid was, dat de menschelijke zaken door God worden bestuurd. Elk nu die overtuigd is, dat hij door God wordt gezien moet noodzakelijk als onder zijne oogen leven.

Heb ik ook hier omgezien naar Dien, dienaar mij omziet ? Enkelen vertalen: „Heb ik niet gezien naar de mij ten deel gevallene verschijning". Doch gewoonlijk leest men gelijk ik heb weergegeven. De duisterheid van den zin heeft ons voorts onderscheidene uitleggingen bezorgd. Sommigen uit de Joden zeggen, dat Hagar verwonderd geweest is over het gezicht des

Sluiten