Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij het voorafgaande gevoelen, waarin ik gezegd heb, dat zij door God als wettige kinderen Abrahams gerekend worden, die door het geloof in zijn lichaam ingeplant met hem één huisgezin uitmaken. De oplossing is echter gemakkelijk, zoo wij slechts eenige onderscheidene trappen van de aanneming tot kinderen stellen, welke men uit onderscheidene schriftuurplaatsen kan opmaken. Vroeger voor dit verbond was de staat der geheele wereld overal dezelfde. Zoodra echter gezegd werd : Ik zal uw God zij n en de God van *uw zaad na u, is de Kerk van de overige volken afgescheiden, evenals bij de schepping der wereld het licht uit de duisternis te voorschijn trad. Toen is het volk Israël als de kudde Gods in Zijne eigene schaapskooi opgenomen, en hebben de overige volken als wilde dieren, over bergen en wouden of woestijnen rondgedwaald. Daar deze waardigheid, waardoor Abrahams kinderen boven de volken hebben uitgemunt, alleen van het Woord Gods afhing, strekte de vrijmachtige aanneming Gods zich over allen gemeenschappelijk uit. Want als Paulus de volken buiten God en het eeuwige leven stelt, omdat zij vreemdelingen van het verbond waren, Efeze 4 vs 18, zoo volgt daaruit, dat alle Israëlieten leden der kerk, en kinderen Gods en erfgenamen des eeuwigen levens geweest zijn. Zij muntten echter alleen door Gods genade en niet van nature boven de Heidenen uit, want de erfenis van het rijk Gods was hun uit de belofte en niet uit het vleesch geschonken.

Toch worden zij nu en dan gezegd van nature te verschillen van de overige wereld. Galat. 2 vs. 15 en elders noemt Paulus hen van nature heiligen, omdat God niet in onafgebrokene volgorde aan het geheele zaad zijne genade wilde bewijzen. In dezen zin worden de ongeloovigen onder de Joden door Christus kinderen van het koninkrijk der hemelen genoemd. Math. 8 vs. 11. Hiermee is niet in strijd wat Paulus zegt, dat niet allen, die uit Abraham zijn als wettige kinderen worden beschouwd, omdat zij geen kinderen der beloften zijn maar alleen des vleesches. Rom. 9 vs. 8. Want daar wordt de belofte niet in het algemeen genomen voor het uitwendige woord, waardoor God Zijne genade zoowel aan verworpenen als aan uitverkorenen toezegt, maar dit woord moet beperkt worden tot de krachtdadige roeping, die Hij inwendig bezegelt door Zijn Geest. En dat de zaak zoo gelegen is, wordt zonder

Sluiten