Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aarde zijn vastgenageld door de beloften Gods, maar veeleer ten hemel zijn opgetrokken. Want, al wat begeerlijk is ten aanzien van het aardsche leven, belooft God mild en rijkelijk aan Ismaël; en toch, welke gaven Hij hem ook toevertrouwt, niets acht Hij die in vergelijking met het verbond, dat in Izaak zijne vastigheid zou krijgen. Daaruit volgt dus, dat noch schatten, noch macht, noch eenig ander tijdelijk goed beloofd wordt aan de kinderen des Geestes, maar de eeuwige zegening, die in hope alleen bezit heeft op deze wereld. Al hebben wij daarom thans overvloed van genot en goed, toch is ons geluk ijdel, zoo wij niet met het geloof doordringen tot het hemelsche rijk van God, waarin eene grootere en hoogere zegening voor ons is weggelegd. Toch'vraagt men, of Abraham alleen zorg had voor het aardsche leven, toen hij bad voor zijnen zoon. Immers dit schijnt de Heere toe te stemmen, daar Hij, verklarende dat 't gevraagde hem was toegestaan, niets anders vermeldt, dan hetgeen wij zeiden.

't Was echter Gods plan niet, om Abrahams geheele wensch te bevredigen. Alleen geeft Hij te kennen, dat Hij met Ismaël voor wien Abraham bekommerd was, eenige rekening zou houden, opdat het zou blijken, dat de aanbeveling zijns vaders niet te vergeefs geweest was. Want Hij wilde toonen, dat Hij Abraham met zulk eene groote liefde beminde, dat Hij ten zijnen gunste het geheele geslacht aanzag, en met bijzondere weldaden vereerde.

En God voer op van Abraham. Deze uitdrukking bevat de nuttige wetenschap, dat Abraham zeker heeft geweten, dat dit gezicht van den Heere was. Daarop toch ziet dit opklimmen. Nu is het voor de vromen noodzakelijk, dat God van al die dingen, die ze hooren, zich duidelijk als oorsprong openbaart, opdat ze niet her- en derwaarts worden geslingerd, maar alleen afhankelijk zijn van den hemel. Dat God echter nu, nadat Hij gesproken heeft, niet openlijk voor onze oogen in de hemelsche heerlijkheid wordt opgenomen, mag aan de zekerheid van ons geloof niets afdoen, omdat eenmaal de volle openbaring daarvan in Christus werd betoond, en het billijk is, dat wij daarmede tevreden zijn. Voorts, hoewel God dagelijks in een zichtbaar teeken niet hemelwaarts stijgt, toch schittert daarin niet minder Zijne Majesteit, dat Hij, door ons te verniewen naar Zijn Beeld, ons naar den hemel optrekt. Voorts

Sluiten