Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt, geloof en stelt verkeerdelijk den leeftijd van zichzelve en haar man tegenover Zijn woord. Toch beschuldigt zij God niet met opzet van bedrog of misleiding, maar, omdat zij geheel opgaat in de 'beschouwing der zaak, bedenkt zij alleen wat natuurlijkerwijs kan gebeuren. Ze heft haar verstand niet op tot de beschouwing van Gods macht en weigert God op zijn woord te gelooven. Zoo dikwijls wij Gods beloften en werken naar eigen gevoel en naar de natuurwetten afmeten beleedigen wij Hem, al ligt niets van dien aard in onze bedoeling. Wij kunnen Hem niet anders de verschuldigde eer bewijzen, dan door ons aan Zijn Woord te onderwerpen, welke hinderpalen in hemel en op aarde zich daartegen ook verzetten.

Hoewel Sarah's ongeloovigheid overigens niet te verontschuldigen is, wijst zij toch niet rechtstreeks Gods genade af, maar wordt slechts door schaamtegevoel en zedigheid weerhouden, om niet terstond te gelooven wat zij hoort.

Hare woorden getuigen dan ook van groote zedigheid, want het is een teeken van schaamtegevoel, als zij zegt : „zullen wij, nu wij oud zijn geworden, nog wellust hebben ?" Laten wij dus in 't oog houden, dat Sarah aan niets minder heeft gedacht, dan God tot een leugenaar te maken, maar dat zij daarin slechts heeft gezondigd, dat zij al te zeer gehecht was aan de gewone orde der natuur en Gode de eer niet heeft gegeven door het wonder, dat zij met haar verstand niet kon bevatten, van Hem te verwachten. Ook verdient opmerking de vermaning, die de Apostel 1 Petr. 3 : 6 ontleent aan Sarah, die Abraham haren heer noemt. Want hij vermaant de vrouwen haar voorbeeld na te volgen, en hare mannen te gehoorzamen en ter wille te zijn. Vele vrouwen toch geven hunne mannen niet ongaarne dezen titel, terwijl zij intusschen niet aarzelen met hare heerschzuchtige preutschheid hen te dwingen naar haren zin te handelen. De Apostel houdt het voor uitgemaakt, dat Sarah uit den grond des harten getuigenis heeft afgelegd van haar gevoelen aangaande haren man. Ook lijdt het geen twijfel, of zij heeft de bescheidenheid, die in hare woorden ligt uitgedrukt, ook door werkelijke dienstvaardigheid bewezen.

13. En de Iiecre zcide. Omdat Gods Majesteit in de Engelen reeds openbaar was geworden, noemt Mozes thans Zijn Naam. Te voren heb ik aangetoond hoe Gods Naam op een Engel wordt overgebracht; daarom acht ik het niet noodzake-

Sluiten