Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abram zou weten, dat zij met recht werden gestraft als zij omkwamen. Anders zou de mededeeling niet tot onderwijzing strekken. Want hieruit ontstaat de vrees voor de zonde, dat wij gevoelen, dat Gods toorn door 's menschen schuld wordt uitgelokt. Hij zegt, dat door de grootheid der misdaden het geroep is verdubbeld. Al stellen de goddeloozen zich voor, dat zij ongestraft zullen blijven, doordat zij hun kwaad bedekken, en de menschen hen stil met rust laten, zoo moet toch de zonde noodzakelijk luide in Gods ooren weerklinken. Deze uitdrukking beteekent dus, dat al onze daden waarvan wij denken, dat de herinnering reeds begraven is, voor Gods rechterstoel worden gebracht, en van zelfs straf eischen, ook al is er geen enkel aanklager.

21. Ik zal nu afkomen. Omdat dit een bijzonder voorbeeld is van Gods toorn, dat God aan alle tijden wil bekend maken en overal in de Schrift inscherpt, duidt Mozes nauwkeurig aan, wat in goddelijke oordeelen moet overwogen worden. Tevens prijst hij op deze plaats de matigheid des Heeren, dat Hij niet terstond tegen de goddeloozen uitvaart, noch onmiddellijk zijn straf uitstort, maar dat Hij eerst als de toestand geheel hopeloos is, de lang dreigende straf voltrekt. De Heere betuigt niet te vergeefs, dat Hij alleen volgens een zuiver gestelde orde tot straffen overgaat, omdat wij, zoo dikwijls Hij ons kastijdt, meenen, dat Hij strenger met ons handelt dan billijk is. Terwijl Hij met eene bewonderenswaardige verdraagzaamheid wacht, totdat wij tot den hoogsten trap van goddeloosheid zijn gekomen, en onze verkeerdheid zoo kwaadaardig is, dat ze niet meer kan gespaard worden, klagen wij toch nog over zijn al te groote haast in het optreden met gestrengheid. Daarom schildert Hij in een duidelijk beeld zijne billijkheid in het verdragen onzer zonde, opdat wij zouden weten, dat Hij nooit overgaat tot straffen, dan wanneer het kwaad rijp is geworden.

Wanneer men nu Sodom gadeslaat zooals het was vóór de verwoesting, treft ons daar een vreeselijk toonbeeld van gevoelloosheid. Immers, evenals of zij niets met God uit te staan hadden, zoo spotten de Sodomieten ; met uitdooving van alle besef van goed en kwaad stortten zij zich gelijk beesten in allerlei slechtheid, en alsof nooit rekenschap zou moeten gegeven worden van het leven, zoo vleiden zij zichzelven te midden hunner ondeugden. Aangezien deze kwaal in alle eeuwen

Sluiten