Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijns inziens heeft Lot, schoon hij de zeden der stad kende, volstrekt niet vermoed, wat hier gebeurt, dat zij zijn huis zouden aanvallen. Dit schijnt iets onverwachts geweest te zijn. Doch wijl de Engelen gezonden waren om een onderzoek in te stellen naar dat volk, moesten allen tot deze afschuwelijke misdaad komen. Zoo verhaasten goddeloozen, nadat zij langen tijd zich veilig in hun kwaad hebben verlustigd, eindelijk op een enkel oogenblik hunnen ondergang door zoo woest voort te hollen. God wilde, toen Hij de Sodomieten voor het gericht daagde, als hetware een laatste feit van hun misdadig leven laten zien, en met den geest der verkeerdheid zette Hij hen aan tot eene misdaad, die zoo groot was, dat zij niet toeliet dat de ondergang der plaats nog langer uitgesteld werd. Want, gelijk de gastvrijheid van Lot, dien heiligen man, met dit bijzondere loon werd vereerd, dat hij onwetend Engelen in de plaats van menschen ontving, en in zijn huis onthaalde, zoo heeft God met des te grootere straf gewroken de schandelijke wellust der anderen, die doordat ze Engelen tot ontucht trachtten te vervoeren, niet slechts onrecht pleegden jegens menschen, maar in heiligschennende woede de hemelsche heerlijkheid Gods, zooveel in hun vermogen was, hebben gekwetst.

6. En Lot is tot hen uitgegaan. Door naar buiten te gaan en zich in het gevaar te begeven toont Lot met hoe groote trouw hij het heilig recht der gastvrijheid heeft geëerd. Het is toch eene bijzondere deugd, om het heil en de eer der gasten te stellen boven zijn leven, omdat hij eenmaal hunne bescherming op zich had genomen. Deze zielegrootheid wordt echter geëischt van de kinderen Gods, dat ze zich niet ontzien, als het gaat over plicht en geloof. Schoon hij nu reeds zwaar gekrenkt was door het omsingelen van zijn huis, zoo tracht hij toch hunne ruwe gemoederen met zachte woorden tot bedaren te brengen, want hij vraagt smeekend, of zij van de misdaad willen afzien, en vereert hen met den titel van broeders En hieruit blijkt vooral, hoe barbaarsch hunne woestheid geweest is, hoe geweldig hunne wellust was, dat zij zich door zulk eene zachtheid niet lieten vermurwen. Hiertoe dient dan ook de beschrijving van deze beestachtige woede, om ons te doen weten, dat zij niet eer zijn gestraft, dan toen zij tot de hoogste mate van slechtheid gekomen waren. Laten wij echter bedenken, dat goddeloozen, die door Gods rechtmatige straf zijn verblind, zich als

Sluiten