Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit in den steek laat, maar Zijne hand op het beslissende tijdstip uitstrekt. Zoo verschuift Hij bij het redden van Lot Zijne hulp tot op het oogenblik, dat de nood ten top was gestegen. Laten wij daarom met een kalm gemoed ruimte laten voor Zijne Voorzienigheid, en zonder schroom onze roeping betrachten en doen wat Hij beveelt. Al laat Hij ons ook verpletteren, toch zal Hij eenmaal toonen, dat Hij ons nooit vergeten is. Wij zien immers dat Lot, die zijn huis had gesloten om zijne gasten te beschermen, voor zijne weldaad gelijke wedervergelding ontvangt. De Engelen doen niet alleen de deur open om hem tot zich te trekken, maar ook verhinderen zij door de Goddelijke almacht de goddeloozen te naderen.

Zij bewijzen hen dus niet maar een menschelijken dienst (gelijk ik zooeven aanstipte) maar treden gewapend met Gods kracht op, om hen te helpen. Mozes' verhaal, dat zij met blindheid zijn geslagen, moet men niet zoo opvatten, alsof zij van het gezicht zijn beroofd, maar dat hun gezicht in die mate van kracht is beroofd, dat zij niets konden onderscheiden. Dit wonder toch was schitterender, dan wanneer hun de oogen geheel waren uitgestoken of doorboord, want nu tasten zij met open oogen als blinden rond, en kunnen ziende niet zien. Tevens wil Mozes uitdrukken, hoe groot hunne hardnekkigheid was; want uit het feit, dat zij de deur van het huis niet konden vinden, volgt, dat zij moeite deden die te zoeken en aldus een verwoeden krijg tegen God voerden. Dit gebeurt echter niet maar eens een enkelen keer, en alleen met de Sodomieten, maar dagelijks herhaalt zich dit onder de goddeloozen, dat Satan zoozeer hunne zinnen verblindt, dat zij door Gods sterke hand getroffen, in dwaze woede blijven voortgaan met zich te verzetten. En om niet al te lang naar een voorbeeld hiervan te zoeken, wij zien met welke verschrikkelijke straffen de Heere booze lusten heeft gestraft, en toch houdt de wereld niet op zich met onbuigzame stoutmoedigheid in een zeker verderf te storten, hoewel het hun voor de oogen wordt geschilderd.

Hebt gij hier nog iemand. Eindelijk verklaren de Engelen, waartoe zij gekomen zijn en wat zij van plan waren te doen. Zoo groot toch was de onwaardigheid dezer laatste daad, dat Lot reeds had moeten gevoelen, dat dit volk niet langer door God kon verdragen worden. Eerst nu zeggen zij

Sluiten