Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekomen te zijn om de stad te verderven, wijl „haar geroep vermenigvuldigd was". Met deze woorden nu toonen zij aan, dat God niet maar door ééne misdaad is uitgetart, maar dat Hij, hen lang ontzien hebbende, thans door de groote opeenstapeling van misdaden bijna is gedwongen af te dalen, ten einde hen te straffen. Want men houde dit in het oog, dat naarmate de menschen meer zonden op een stapelen, hunne slechtheid des te hooger klimt, en des te dichter bij God komt om straf te vorderen. En daarom als de Engelen getuigen, dat God tot hiertoe lankmoedig en zeer verdraagzaam geweest is, duiden zij tevens aan, wat altoos het einde is van hen, die hunne misdaden opeenstapelen, en die, als reuzen van plan zijnde om den hemel te bestormen, met den dag zich aan grootere onbeschaamdheid overgeven. De reden nu van den ondergang vermelden zij niet slechts daarom, opdat Lot Gode den lof zou toebrengen van rechtvaardig en billijk te zijn, maar ook opdat hij door vrees overweldigd meer haast zou maken met het optrekken. Want door de traagheid onzes vleesches zijn wij altijd eerst langzaam en moeilijk te bewegen om Gods oordeel te ontvluchten, behalve wanneer diepe vrees om Hem ons drijft. Zoo heeft ook Noach, bevreesd voor den watervloed, zich ijverig toegelegd op het bouwen der ark

Intusschen wekken de Engelen de hoop op in het gemoed van den heiligen man, opdat hij niet zoude aarzelen, noch door vrees bevangen en wanhopende aan zijne behoudenis, te traag zou zijn om uit te gaan. Want zij beloven hem niet slechts zijne behoudenis, maar schenken uit eigen beweging hem het leven der zijnen. Nu had hij geen reden om te twijfelen aan het behoud van zijn leven, daar hij zag, dat als toegift ook anderen om niet hem werden geschonken. Men vraagt echter waarom God Zijne genade wilde aanbieden aan ondankbare menschen, schoon Hij wist, dat zij zou versmaad worden. Dezelfde vraag kan worden opgeworpen van de prediking des Evangelies. Want God weet zeer wel, dat maar weinigen de zaligheid zullen beërven, en toch beveelt Hij dat zij aan allen, onverschillig wie ook, moet worden aangeboden. Doch aldus zijn ongeloovigen minder te verontschuldigen, als zij de boodschap der zaligheid verwerpen. Daarom vooral wordt aan Lot bevolen, de hoop op bevrijding de zijnen aan te bieden, opdat hij met te grooter vertrouwen aan Gods genade zich

Sluiten