Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin wij zoowel de menschelijke zwakheid als de goddelijke genade kunnen aanschouwen. Het is een algemeen spreekwoord, dat door ontvangen kwaad dwazen wijs worden. Maar Abraham, die het groote gevaar vergeten was, dat hem in Egypte was overkomen, stoot zich hier weer aan ;denzelfden steen, hoewel de Heere hem met opzet zoo had gekastijd, dat de herinnering daaraan voor zijn geheele leven nuttig was. In het voorbeeld van den heiligen Aartsvader zien wij dus, hoe gemakkelijk de vergetelheid zoowel van straffen als van Gods goedheid ons overrompelt. Daarin dat het hem niet voor den geest kwam, dat hij eenmaal God had bedroefd, en het door zijne schuld weinig had gescheeld of zijn vrouw was in de handen van eenen vreemden man overgegaan, daarvan kan hij niet vrijgepleit worden van al te groote nalatigheid. Maar als wij ons zeer nauw doorzoeken, zal er bijna niemand worden gevonden, die niet bekent, dat hij meermalen op dezelfde wijze zich heeft misgaan. Voeg hierbij, dat Abraham ook niet vrij was van ondankbaarheid, omdat als hij erkend had, dat zijne vrouw wonder lijk door den Heere was gered, hij nooit wederom willens en wetens haar in zoodanig gevaar zou gebracht hebben. Immers de vroeger hem van Godswege geschonken genade maakt hij krachteloos, in zooverre als dit aan hem stond.

Overigens lette men op den aard der zonde, welke wij te voren hebben aangestipt. Want Abraham heeft niet (gelijk goddelooze menschen verzinnen) om maar voor zichzelven te zorgen, zijne vrouw aan ontucht overgegeven. Maar gelijk hij vroeger bezorgd was voor het behoud zijns levens, totdat hij het hem van Godswege beloofde zaad bezitten zou, zoo denkt hij, om maar die groote zegening te bemachtigen, nu zijne vrouw zwanger is, niet aan het gevaar waaraan zij bloot stond. Als wij dus nauwkeurig alles overwegen, zondigde hij door ongeloof, daar hij mindere eer gaf aan Gods voorzienigheid dan haar toekwam. Daarin ligt ook voor ons de vermaning, hoe veilig het is, om niet op eigen plannen te vertrouwen. Want Abrahams begeerte is goed. Hij strekt die uit naar de belofte Gods. Maar dat hij Gods hulp niet geduldig afwachtte, en tot eene ongeoorloofde manier van handelen afweek, daarin verdient hij berisping.

En Abimelech zond. Het lijdt geen twijfel, of de Heere wilde het lichtvaardig ondernomen plan van zijnen knecht straf-

Sluiten