Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaring van enkelen, dat Abimelech zich stilzwijgend met de Sodomieten vergelijkt, is al te spitsvondig. Mij komt het voor, dat de zin eenvoudig aldus is: „Heere, hoe zwaar gij ook echtbreuk straft, zou uw toorn ontsteken tegen onschuldige menschen, die meer door dwaling en zonde zijn gevallen, dan dat zij willens en wetens hebben gezondigd ?" Voorts merke men op, dat Abimelech zich aldus schijnt vrij te pleiten van alle schuld, en de Heere zijne verontschuldiging toelaat en goedkeurt. Doch men moet in het oog houden hoe en in hoeverre hij verklaart rein van hart en onschuldig in daden te wezen. Want hij matigt zich geene reinheid aan, waarop in het geheel geene vlekken zouden zijn, maar hij ontkent alleen, dat h*j uit lust tot hoererij door tirannie of opzet zich aan de vrouw van een ander heeft vergrepen. Wij weten immers, hoe groot het onderscheid is tusschen eene gruweldaad en een misslag. Aldus weert Abimelech niet elk verwijt van zich af, maar hij toont alleen aan, dat hij zich van geene misdaad bewust is geweest, waarom hij met zoo zware straf zou gestraft worden. De oprechtheid des harten is niets anders dan een vrij geweten, het tegenovergestelde van een kwaad geweten. De zuiverheid der handen is niets anders dan ingetogenheid, zoodat de menschen afkeerig zijn van geweld en onrecht.

Overigens is deze vraag van Abimelech voortgevloeid uit een algemeen godsdienstig gevoel, want ook de natuur schrijft dit voor, dat God in het opleggen van straffen eene juiste maatstaf houdt.

6. Ook Ik weet. Uit dit antwoord Gods besluiten wij, dat Abimelech (gelijk ik zooeven herinnerde) zich niet ten onrechte heeft beroepen op zijne onschuld. Dat de Heere, toegevende, dat zijne verontschuldiging waarheid bevat, hem intusschen toch kastijdt, daaruit kunnen wij leeren, dat zij, die volgens menschen rein zijn, toch niet vrij zijn van alle schuld. Want geene dwaling kan zoo billijk en te verontschuldigen geacht worden, dat daarmee niets slechts is vermengd. En daarom is er geen reden, waarom elk zich in zijn eigen oordeel zou vrijpleiten, maar veel meer moeten wij leeren onze daden aan het oordeel Gods te toetsen. Want niet zonder reden zegt Salomo: „Aan de menschen schijnen hunne wegen toe recht te zijn, maar het komt den Heere alleen toe de harten te wegen". Bijaldien nu zij, die zich van geen kwaad bewust zijn, de straf

Sluiten