Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mede deelachtig was, tot een vreemd volk overgaat, opdat hij niet meer tot het gezegende zaad zou gerekend worden ; dat voor het uiterlijk oog het lichaam der Kerk wordt verscheurd, zoodat slechts de helft overbleef; dat Sara door den zoon der dienstmaagd het huis uit te drijven, nu vóór Izaak alleen de erfenis onwankelbaar vast stelt. En daarom als aan het lezen dezer geschiedenis de benoodigde aandacht wordt geschonken, openbaart zich van zelfs die verborgenheid waarvan Paulus spreekt.

En Abraham maakte een gastmaal. Men vraagt waarom hij dit niet liever op den dag van Izaaks geboorte of zijner besnijdenis deed. Wat Augustinus spitsvondig betoogt, dat de dag van Izaaks speenen wordt gevierd, opdat wij van hem als voorbeeld zouden leeren, niet meer kinderlijk te gevoelen, is al te gedrongen. Even weinig past hetgeen anderen zeggen, dat Abraham, om niet de gewoonten der Heidenen na te volgen, een dag heeft genomen, die niet in gewoon gebruik was. Het kan wel zijn, dat hij ook de geboortedag zijns zoons met eere en blijdschap heeft gevierd. Maar van dit gastmaal wordt om eene andere reden in het bijzonder melding gemaakt, omdat toen het lachen van Ismaël werd bestraft. Want ik ben het niet eens met de gissing van hen, die meenen, dat hier eene nieuwe geschiedenis aanvangt, en dat Sara dagelijks met deze moeilijkheid heeft geworsteld, totdat zij eindelijk den goddeloozen spotter heeft uitgeworpen en haar huis heeft gezuiverd. Wel is het waarschijnlijk, dat Ismaël ook op andere dagen zich met gelijke onbeschaamdheid heeft verheven, maar toch twijfel ik er niet aan, of Mozes geeft duidelijk te kennen, dat zijn spot op die plechtige samenkomst aan Sara is gebleken en zij van dien tijd af zijne verbanning heeft doorgezet. Nu spreekt Mozes over de genoegens van het gastmaal niet in kwaden zin, maar hij spreekt als over eene geoorloofde zaak. Want er is niet het minste bezwaar tegen, dat heilige menschen hunne vrienden uitnoodigen tot gemeenschappelijke blijdschap, om gezamenlijk God te danken en vroolijker dan gewoonlijk te eten. Wel moet altoos ingetogenheid en matigheid in acht worden genomen, en moet men zijn best doen, dat niet alleen de omhaal matig zij, maar ook de gasten bescheiden zijn. Ik bedoel slechts dit, dat God niet zoo streng met ons handelt, dat het niet geoorloofd is om nu en dan zijne vrienden een weinig gul te onthalen, hetzij als er eene bruiloft moet gevierd worden,

Sluiten