Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetzij als ons kinderen worden geboren. Abraham maakte dus eenen grooten maaltijd, d. i. een buitengewone, want hij was niet gewoon om dagelijks zijne tafel zoo schitterend aan te richten, maar toch was deze overvloed dusdanig, dat zij volstrekt niet tot weelde doorvloeide. Bovendien was hij naar de mate van zijn vermogen zoo weelderig in het onthalen van vrienden, dat hij ook onbekende gasten hun genoegen gaf, gelijk vroeger gezien is.

9. Sara nu zag den zoon van Hagar. Gelijk het woord „lachen" tweeledig wordt gebruikt in de Latijnsche taal, zoo gebruiken ook de Joden zoowel in goeden als in kwaden zin dit woord, waarvan het deelwoord pöVP (matzachak) is afgeleid. Dat dit geen kinderlijk en onschuldig spel geweest is, blijkt uit Sara's verontwaardiging. Het was dus eene kwaadwillige bespotting, waarmee de onbeschaamde jongeling zijnen nog jongen broeder verachtte. Ook merke men op, dat het bijwoord, dat hier aan Ismaël wordt toegeschreven en de naam Izaak van dezelfde herkomst zijn. Voor Izaaks vader en anderen was er stof tot een heilig en wettig lachen, en daarom was hem ook van Godswege dien naam gegeven. Ismaël verkeert echter de zegening Gods, waaruit zulk eene vreugde voortvloeide, in spot. Als een goddelooze spotter wordt hij dus tegenover zijnen broeder Izaak gesteld. Beiden (om zoo te zeggen) zijn zonen des gelachs, maar in gansch anderen zin. Izaak brengt uit 's moeders schoot het lachen met zich mede, omdat hij het zekere bewijs van Gods genade als ingegrift bij zich droeg. Zoo dus verblijdt hij het huis van zijnen vader, dat de blijdschap uitbreekt tot dankerkentenis, maar Ismaël tracht door zijn onbeschaamden en goddeloozen lach die heilige vreugde des geloofs te doen verdwijnen. Het lijdt geen twijfel, of door deze bespotting openbaarde zich zijnen openbaren opstand tegen God. Tot dien leeftijd was hij gekomen, dat hij volstrekt niet onbekend was met de beloofde genade, over welke zijn vader Abraham zoozeer verheugd was, maar hij beleedigt in trotschen eigenwaan, in den persoon zijns broeders God, en Zijn woord en Abrahams geloof. En daarom ontsteekt Sara niet zonder oorzaak zoo hevig tegen hem in toorn, dat zij beval, hem tot ballingschap te vernederen.

Niets toch is bitterder voor het heilig hart, dan Gods genade aan spot te zien blootgesteld. En dit is de reden, waarom Paulus den lach eene vervolging noemt. Hij, die naar het

Sluiten