Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minste de taalkundige afleiding beperkt Mozes niet tot den put, maar hij omvat het geheele verbond. Daarom wil ik niet tegenspreken dat Mozes op het getal zeven heeft gezinspeeld.

33. En Abraham plantte een bosch. Hieruit blijkt, dat aan Abraham na het sluiten van dit verbond, meer rust is gegund dan hij tot hiertoe had gehad. Immers nu begint hij boomen te planten wat een teeken is van een rustig en standvastig wonen op eene plaats. Tevoren lezen wij niet, dat hij ook maar een hof heeft geplant. Daaruit zien wij, dat zijne positie gunstiger was geworden, zoo dat het hem vrijstond een standvastig leven te leiden. De uitdrukking, dat hij den naam des Heeren heeft aangeroepen, verklaar ik aldus, dat hij op nieuw den plechtigen dienst van God heeft ingesteld, om daardoor zijne dankbaarheid te betuigen. Nadat God dus langs ontelbare wegen zijnen knecht had rondgeleid, gaf hij hem in den hoogsten ouderdom eenige verademing. En zoo handelt Hij nu en dan met Zijne geloovigen, dat Hij als zij door verschillende stormen heen en weer geslingerd zijn, hen eindelijk laat adem scheppen. Wat de aanroeping Gods betreft, zoo weten wij, dat Abraham, waar hij ook maar kwam, nooit dezen plicht der vroomheid heeft nagelaten. Ook liet hij zich niet afschrikken door gevaren, om zich voor een waren dienaar van den waren God uit te geven, al was hij door dien naam bij zijne naburen gehaat. Maar zijn moed in het uitkomen voor den dienst van God, hield gelijken tred met zijne woonvrijheid. En omdat hij onder de bescherming des konings thans veiliger leefde heeft hij misschien met opzet het getuigenis willen afleggen, dat hij dit voorrecht van God had ontvangen. Om deze reden schijnt deze bijnaam aan God te zijn toegekend: „den eeuwigen God". Abraham verklaart, dat hij niet was overgegaan tot het vertrouwen op een aardsch koning, noch zich verliet op het pas gesloten verbond, wat eene afwijking zou geweest zijn van den eeuwigen God. Waarom Mozes den dienst van God samenvat in den naam van aanroeping, heb ik elders uiteengezet. Ten slotte wordt hier gezegd, dat Abraham als vreemdeling verkeerd heeft in dat land, schoon hij daarin toch eene vaste verblijfplaats had, opdat wij zouden weten, dat zijn gemoed niet zoozeer aan die rust was gebonden, of hij overwoog steeds wat hij vroeger uit 's Heeren mond had gehoord, n.1. dat hij met zijne nakomelingen als vreemdeling daar zou verkeeren, totdat vierhonderd jaren zouden vervuld zijn.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

Sluiten