Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Bossche Meijerij. Daarom is zij reeds waard van te worden gepubliceerd, te meer omdat er allerlei bijzonderheden in vermeld worden, die men in de andere beschrijvingen niet aantreft.

Uit het slot van hetgeen van Leefdael over Heeze mededeelt blijkt, dat zijne beschrijving slechts een legger was voor eene uitvoeriger beschrijving der Bossche Meierij, waarvan intusschen niets schijnt te zijn gekomen.

Niet overal is van Leefdael in zijne beschrijving even nauwkeurig, zooals blijkt uit hetgeen hij daarin onder Haaren mededeelt, vermits de aldaar genoemde rentmeesters heetten Louy Boets, Hendrick van Heersel en Jan Loenmans; ook legde van Heersel, zooals hij schreef, geene rekening af over 1419/21, daar diens eerste rekening op zijn vroegst eerst na 18 Februari 1420(21?) kan begonnen zijn. Zoo geschiedde de uitgifte van de Nemelaer ook niet op 11 Maart doch op 22 Maart 1357. (Zie mr. J. Smit Het Brabantsche jachtrecht Bijlagen p. 11). Waarschijnlijk zijn die onnauwkeurigheden hieraan te wijten, dat hij niet overal met het oud schrift goed terecht kon.

Eigenhandig schreef hij op den kant der beschrijving, voor wat de Meierij van den Bosch betreft, de uitkomsten der haardtelling, welke in het jaar 1526 in het Hertogdom Brabant plaats had en hier cursief zijn afgedrukt, Het geheel dier uitkomsten is te vinden in het werk van J. Cuvelier Les dénombrements de foyers en Brabant (XIVe—XVIe siècle).

Nadat Dr. C. R. Hermans het reeds had gedaan, ofschoon op eene onvolledige en ten deel ook onnauwkeurige wijze in zijne Bijdragen tot de geschiedenis, enz. van de provincie N. Brabant II p. 49 en vlgd., deelden J. van der Hammen Nz. en Aug. Sassen, voor wat de stad en de meierij van den Bosch aangaat, die uitkomsten ook nog mede in de Handelingen van het Prov. Genootschap van K. en W. in Noordbrabant 1891—93 p. 221 en vlgd. Toch kwam het mij niet overbodig voor ze ook nog af te drukken in de hierna volgende beschrijving van van Leefdael, omdat die door hem daarmede

Sluiten