Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

banen hun bestaan moesten zoeken, werden op allerlei wijze belast en' bemoeilijkt. Dit was vooral het geval met de voornaamste bronnen des bestaans: de suikerteelt en den tabaksbouw. Daarenboven had er op rechterlijk gebied allerlei ontzettende knoeierij plaats. Rechters, advocaten, klerken en andere ambtenaren kwamen uit Spanje op Cuba met hetzelfde doel als velen onzer voorzaten naar Indië trokken in dienst der Oost Indische Compagnie: om rijk te worden. En daar legden ze het met alle geweld op toe, tot grief en uitzuiging der armé Cubanen. Liep er al eens een eerlijk ambtenaar tusschen—wee hem! Het duurde niet lang of hij werd afgezet of minstens verplaatst naar eenen post waar hij niemand in de kaart kon kijken.

Alle deze ongerechtigheden leidden de inwoners van het schoone maar uitgemergelde Cuba telkens en telkens tot opstand. De laatste ontstond in 1868. Op den tienden October van dat jaar proclameerde de heer Carlos M. Cespedes, omringd door 140 man de Republiek van Cuba en werd aangewezen als haar hoofd. Later werd Salvador Cisneros president en ten slotte de later zoo bekende generaal Garcia. Tien jaren lang duurde deze krijg die door beide zijden op zulke barbaarsche wijze werd gevoerd, dat onze president Grant er sterk tegen protesteerde. Eindelijk werd er in 1878 te Taljon vrede gesloten. Spanje deed als voorwaarden van vrede allerlei schoone beloften van meerdere vrijheid aan de Cubanen, eene zachtere regeering en eene zekere mate van vertegenwoordiging in de regeering. Het duurde echter niet lang of de Spanjaarden hielden wederom op hunne bekende Spaansche wijze tehuis op het schoone eiland, en na lang smeulen van het oude opstandsvuur brak

Sluiten