Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooger onderwijs genoot, zoover te brengen. Maar Lincoln hield maar vol. ,,'t Moet kunnen", sprak hij gewis meer dan eens, al was het niet in de taal van zijn Hollandschen tijdgenoot.

Hij zal zeker wel meer dan eens ontmoedigd zijn geweest wanneer hij zag op den berg van boeken, dien hij had te doorworstelen.

De dichter Langendijk zegt in een van zijne werken tot een praatgraag:

„Gij zijt een snapper, 'kzou te Leiden gaan studeeren oor advocaat; me dunkt, ge hoeft niet veel le leeren."

Maar met dat al vordert het èn in Nederland èn in Amerika heel wat om tot de balie te worden toegelaten.

Docli het gelukte Lincoln, al waren er nog zooveel hinderpalen op zijnen weg geweest. Op 1 Maart 1837 werd hij op de officieele lijst geplaatst.

Hij besloot om zich in Springfield, de nieuwe hoofdstad, te vestigen. '

Dat was destijds een opkomend stadje van ongeveer 1500 inwoners.

Met advocaat Stuart, die hem vroeger zoo terwille was met het leenen van wetboeken, zou hij eene firma vormen.

Het was wel wat gewaagd van Lincoln om zijn tamelijk wel betalend baantje van landmeter op te geven - maar het moest, want beide tegelijk kon hij niet wel waarnemen.

Daarenboven, hij was nog altijd straatarm, deels omdat hij geen al te best kassier was voor zichzelf en deels ook omdat hij nog steeds zijn vader voorthielp. Want diens boeren was nog a ijc sukkelwerk. Maar — de teerling was geworpen, en op een goeden morgen verliet de nieuwbakken advocaat New Salem met pak en zak en wendde zich naar Springfield. Al zijne aardsche bezittingen kon hij bergen in twee groote zadeltasschen, die hij over zijn paard wierp. Het paard zelf was een geleend beestje. En de beurs was bijna plat.

Sluiten