Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij, reeds op den dag na de inhuldiging, voor een zeer moeilijk probleem kwamen te staan.

Majoor Anderson namelijk, die, zooals we zagen, op Fort Suiker de Unievlag nog steeds deed wapperen, ten spijt der Zuid Carolinarebellen, liet aan Lincoln berichten, dat hij nog slechts mondvoorraad had voor één maand lang en dat er 20.000 man noodig waren om hem te ontzetten.

Het getal zijner manschappen bedroeg destijds 128, waarvan slechts de helft in staat was om te vechten. En dat, terwijl het fort door duizend man behoorde bezet te zijn geweest. Zóó had de vorige minister van oorlog, een Zuidelijke, zijn ambtsplichten verwaarloosd. Met opzet had hij de forten in het Zuiden van bezetting ontbloot.

Lincolns cabinet was verdeeld over de vraag wat nu te doen.

Anderson moest op de een of andere wijze geholpen worden, en dat spoedig. Maar actief optreden ten zijnen voordeele, zou het sein worden tot het uitbreken van den Burgerkrijg. Want immers, zoo dreigde het Zuiden.

Waar de zaak zoo netelig was, adviseerden vijf van de cabinetsleden om zich niet te storen aan Andersons verzoek. Generaal Scott, het hoofd van het Bondsleger, gaf zelfs den raad om de zuidelijke staten toe te roepen: „Wederspannige zusters gaat heen in vrede."

Ten slotte adviseerden twee cabinetsleden, Chase en Blair, om Fort Sumter te helpen. De vijf anderen bleven bij hunne verklaring, dat zoo iets onuitvoerbaar was.

Dat was een moeilijk begin.

Lincoln deelde zijne ministers, na rijp beraad, en we zullen hopen na veel gebeds, mede, dat hij de verantwoordelijkheid op zijne eigene schouders nam en besloten had „om brood naar Anderson te zenden".

Door dit besluit werden de zaken in het Zuiden tot een crisis gebracht.

Sluiten