Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geverfd zijn met de kleur van het licht, dat zij doet schijnen, en bovendien voorzien zijn van een doelmatig scherm.

ART. 7. Stoomvaartuigen van minder dan 40, vaartuigen, voortbewogen door middel van riemen of zeilen, van minder dan 20 ton (van 2,83 M3) bruto inhoud en roeibooten, zijn, wanneer zij varende zijn, niet verplicht de lichten te voeren in art. 2 (a) (b) (c) vermeld; zij moeten echter, wanneer zij die lichten niet voeren, voorzien zijn van de volgende lichten :

le. Stoomvaartuigen van minder dan 40 ton (van 2.83 M3) bruto inhoud, moeten voeren :

a. Vóór op het vaartuig of aan, of vóór den schoorsteen, waar dit het best gezien kan worden, en op een hoogte boven het potdeksel van tenminste 27 decimeter, een helder wit licht, ingericht en geplaatst op de wijze, als voorgeschreven in art. 2 (a) en van zoodanige sterkte dat het zichtbaar is op een afstand van tenminste 2 zeemijlen (van 60 in 1 graad).

b. Groene en roode zijdelichten, ingericht en geplaatst als voorgeschreven in art. 2 (6) en (c), en van zoodanige sterkte, dat zij zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 1 zeemijl (van 60 in 1 graad,) of een samengestelde lantaarn, toonende aan de daarvoor aangewezen zijden van het vaartuig groen en rood licht, van recht vooruit, tot 2 streken achterlijker dan dwars. Deze lantaarn moet tenminste 9 decimeter beneden het witte licht gevoerd worden.

2e. Stoomsloepen, zooals die aan boord van zeeschepen gevoerd worden, mogen het witte licht op minder dan 27 decimeter boven het potdeksel voeren, doch in elk geval boven de onder 1 b bedoelde samengestelde lantaarn.

3e. Vaartuigen, welke worden voortbewogen door middel van riemen of zeilen, van minder dan 20 ton (van 2,83 M3) bruto inhoud, moeten een lantaarn aangestoken gereed houden, met een groen glas aan de andere zijde. Deze lantaarn moet, indien een ander vaartuig nadert, of indien het zelf in de nabijheid van een ander vaartuig komt, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, getoond worden, zoodanig, dat het groene licht niet aan bakboordszijde en het roode licht niet aan stuurboordszijde gezien kan worden.

4e. Roeibooten, hetzij daarmede geroeid of gezeild wordt, moeten een wit licht gevende lantaarn aangestoken gereed houden, welke nu en dan, doch tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, getoond moet worden.

De in dit artikel bedoelde vaartuigen behoeven de in art. 4

Sluiten