Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweê vaartuigen zal het oploopende vaartuig volgens deze voorschriften tot een kruisend vaartuig kunnen maken, of het kunnen ontslaan van den plicht, om voor het andere vaartuig uit te wijken, totdat het laatstgenoemde geheel gepasseerd en er vrij van is.

Daar men over dag op het oploopende vaartuig niet altijd met zekerheid kan weten of het voor of achter de boven omschreven richting van het andere vaartuig is, moet het, in geval van twijfel, zich als een oploopend vaartuig beschouwen en uit den weg gaan.

\

Art. 25. In nauwe vaarwaters moet elk stoomvaartuig, zoo dit uitvoerbaar is en veilig kan geschieden, aan die zijde van het vaarwater houden, welke aan de stuurboords-zijde van het vaartuig ligt.

A*T. 26. Zeiivaartuigen, welke varende zijn, moeten uit den weg gaan voor zeilvaartuigen of booten, visschende met netten, lijnen of sleepnetten. Deze bepaling geeft echter aan geen vaartuig of boot, bezig met visschen, het recht om een vaarwater te versperren, dat door andere dan visschersvaartuigen gebezigd wordt.

Art. 27. Bij hef nakomen en uitvoeren dezer voorschriften moet men behoorlijk acht geven, zoowel op de gevaren der navigatie en van aanvaring, als op de eigenaardige omstandigheden, die, ter voorkoming van onmiddellijk gevaar, een afwijking van de bedoelde voorschriften noodzakelijk mochten maken.

Art. 28 t/m 29 enz.

Voorbehoud ten opzichte van voorschriften voor havens of voor binnenwateren.

ART. 30. De inhoud dezer voorschriften belet niet de handhaving van bijzondere bepalingen, door de ter plaatse bevoegde autoriteiten gemaakt, met betrekking tot de vaart in havens, op rivieren of op binnenwateren.

Art. 31. enz.

Art. 32. De bepalingen, lot verzekering van de goede werking der voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee, vervat in de artikelen 1 tot en met 4 der ordonnantie van 8 Mei 1883 (Staatsblad No. 144) blijven van kracht (zie hierachter).

Art. 33 enz.

2*

Sluiten