Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No, 27. BEPALINGEN tot tegengang der serehziekte in Ned.-Indië.

A. Op Java. Staatsblad 1902 No. 103, zooals het is gewijzigd bij Stbl. 1906 No. 72 1.)

ART. 1. (1) In het gebied, omvattende de residentie Preanger Regentschappen, de afdeeling Buitenzorg van de residentie Batavia en de afdeelingen Koeningan enGaloeh van de residentie Cheribon, is alle invoer van suikerriet en suikerrietstekken, van waar ook afkomstig, verboden.

(2) Van dat verbod kan door den Directeur van Landbouw vrijstelling worden verleend, onder zoodanige voorwaarden, als hem voor elk geval geraden zullen voorkomen. 2)

ART. 2. (1) De Hoofden van gewestelijk bestuur op Java en Madoera, met uitzondering van die der Vorstenlanden, zijn bevoegd voor die streken in hun gewest, waar dit, te hunner beoordeeling, ter bescherming der teelt van plantmateriaal ten behoeve der suikerindustrie wordt vereischt, te verbieden het kweeken van suikerriet, zonder, op den voet der beide volgende alinea s, van het betrokken Districtshoofd daartoe eene licentie te hebben bekomen, en anders dan uit stekken, gesneden van primaire rietstengels of uit zaad.

(2) Deze licenties, geldig voor eene bepaalde plantperiode— den duur van tien maanden niet te boven gaande, behoudens verlenging, zoo noodig, door het Hoofd van plaatselijk bestuur

worden op aanvraag kosteloos uitgereikt, doch alleen voor de beplanting van gronden, welke laatstelijk gedurende minstens een jaar niet met suikerriet beplant zijn geweest.

Behalve den begin- en einddatum van die periode, vermelden zij het volgnummer der licentie, den naam des houders, de ligging en uitgestrektheid van het veld, de variëteit en herkomst van het te bezigen plantmateriaal; op die stukken wordt mede melding gemaakt van eventueele verlengingen der plantperiode.

Van de uitreiking wordt in een register aanteekening gehouden.

Het Hoofd van gewestelijk bestuur bepaalt den vorm dier licenties en van de ter inschrijving daarvan bestemde registers.

(3) Binnen dertig dagen na den einddatum van de in alinea 2 bedoelde al dan niet verlengde plantperiode, moet de aanplant door den houder der licentie gesneden en, met

1) Zie over ds toepassing BB. No. 6867.

2) Zooals dit art. 1 luidt cfm. Stbl. 1906 no. 72.

Sluiten