Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 9. (1) In ieder pandhuis afzonderlijk moet in de Maleische taal met Latijnsche karakters een boek worden gehouden en dagelijks bijgewerkt volgens het aan dit reglement gehecht model Lett. A.

(2) De bladzijden van het in de eerste alinea bedoeld boek moeten genummerd zijn en vóór de ingebruikstelling worden ceparafeerd, op de hoofdplaatsen der gewesten door het Hoofd van gewestelijk bestuur of een door dezen aan te wijzen ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur (waaronder ook te begrijpen den Gewestelijken Secretaris), elders door het Hoofd van plaatselijk bestuur.

(3) Zij moeten, desgevorderd, onverwijld ter beschikking worden gesteld van dat bestuur of van hem, die het daartoe aanwijst.

(4) Het niet of niet behoorlijk dagelijks aanhouden der boeken, het uitscheuren van bladen of op andere wijze moedwillig schenden, onleesbaar maken of vervalschen van die pandboeken, zoomede niet voldoening aan het vorig lid van dit artikel, wordt gestraft met eene geldboete van honderd tot vijfhonderd gulden.

ART. 10 (1) Bij elke beleening wordt een door den pachter of zijn gemachtigde onderteekend bewijs opgemaakt volgens het aan dit reglement gehecht model Lett. B. en, zoo mogelijk, gesteld in de plaatselijk meest gebruikelijke Inlandsche taal en in de voor die taal plaatselijk meest gebruikelijke karakters, een en ander ter beoordeeling van het Hoofd van gewestelijk bestuur. Het bewijs moet duidelijk leesbaar zijn. Na afscheuring van de strook ter rechter zijde, welke bij het pand gevoegd wordt, wordt het bewijs aan den beleener afgegeven.

(2) Voor het niet uitreiken van het bewijs aan den beleener en voor het uitreiken aan den beleener van een bewijs, hetwelk niet aan de in de vorige alinea gestelde eischen voldoet, waarvan de in die alinea bedoelde strook niet is afgescheurd of waarin onjuiste opgaven, ten nadeele van den beleener voorkomen, wordt eene geldboete verbeurd van één tot vijfentwintig gulden voor elke overtreding.

(3). Bij het lossen van het pand moet dat bewijs worden teruggegeven aan den pachter, diens gemachtigde of diens ondergeschikten, die alsdan verplicht zijn de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde strook na invulling en onderteekening aan den beleener ter hand te stellen op verbeurte eener geldboete van één tot vijfentwintig gulden. Met eene gelijke boete worden gestraft onjuiste opgaven in die strook, ten nadeele van den beleener.

Sluiten