Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toegankelijke lokaliteiten wordt een door het Hoofd van den pandhuisdienst aan te wijzen uittreksel uit dit Reglement, benevens het uitgewerkte rente-tarief, mede zooveel noodig in genoemde talen gesteld, op duidelijk zichtbare wijze voor het publiek ter raadpleging aangebracht.

ART. 10. Behalve in de gevallen, bij wettelijke verordeningen bepaald, mogen zonder machtiging van het Hoofd van den pandhuisdienst of de aan dezen toegevoegde inspecteerende ambtenaren de boeken van het pandhuis niet daarbuiten worden gebracht en mag daarvan geene inzage worden gegeven aan anderen, dan de ambtenaren der politie en justitie, zoo dezen dit ambtshalve verzoeken.

ART. 11. [1] De tot pand aangeboden goederen worden vóór de beleening door den daartoe aangewezen beambte, onder toezicht en verantwoordelijkheid van den administrateur, getaxeerd naar den maatstaf, vast te stellen door het Hoofd van den pandhuisdienst.

(2) Deze stelt tabellen vast voor de verhouding tusschen de getaxeerde waarde en de beleeningssom. Laatstbedoelde som, mits voor ééne beleening niet meer dan f 300, wordt op het pand in leen gegeven, tenzij de beleener minder verlangt, in welk geval daarvan uitdrukkelijk moet worden melding gemaakt op het pandbriefje op door het Hoofd van den pandhuisdienst te bepalen wijze.

(3) Tegelijk met de beleeningssom wordt den beleener, voor iedere beleening afzonderlijk, een pandbriefje uitgereikt, ingericht volgens door het Hoofd van den pandhuisdienst voor elk pandhuis vast te stellen model en gewaarmerkt op door hem te bepalen wijze. Een duplicaat (afdruk) van het pandbriefje wordt in het pandhuis aangehouden.

(4) Het pandbriefje moet minstens bevatten: den naam van het pandhuis, een volgnummer, overeenkomende met dat van het pandhuisboek, den landaard en zoo nauwkeurig mogelijke identificatie van den beleener, de omschrijving der beleening, de geschatte waarde en de beleeningssom van elk pand afzonderlijk, den dag van inbreng, het rentetarief en den maximumtermijn, waarover rente mag worden gerekend, benevens den dag, na welken de dan niet ingeloste panden kunnen worden geveild.

(5) Voor elke beleening komt slechts in aanmerking één voorwerp of één stel bij elkaar behoorende voorwerpen, tenzij door den beleener uitdrukkelijk wordt verzocht meerdere voorwerpen voor ééne beleening in aanmerking te mogen brengen, en daar-

Sluiten