Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer het pand reeds buiten de voor het publiek toegankelijke lokaliteit van het pandhuis was gebracht..

ART. 15. (1) Wanneer een beleener bij den administrateur aangifte doet dat hij zijn pandbriefje verloren heeft en het pand in de boeken te vinden en nog niet gelost blijkt te zijn, zal de administrateur daarvan aanteekening doen houden.

(2) Wanneer iemand, niet als beleener herkend, een als vermist aangegeven pandbriefje aanbiedt ter aflossing van een of meer daarin vermelde voorwerpen, wordt de lossing opgeschort en den beleener kennis gegeven van de aanbieding. Wordt de zaak niet in der minne geschikt tusschen den aanbieder en den beleener, of is laatstgenoemde niet te vinden, dan wel meldt deze zich niet binnen 14 dagen na de oproeping aan bij den administrateur, dan wordt het pand aangehouden en gehandeld overeenkomstig de 3d5 alinea van dit artikel, tenzij bij rechterlijk gewijsde anders wordt bevolen.

(3) Wanneer zonder overlegging van het pandbriefje of met een door beschadiging onherkenbaar geworden pandbriefje een pand wordt opgeëischt, kan dat eerst worden gelost na verstrijking van den beleeningstermijn, en> wel door hem, die ten genoegen van den administrateur, met beroep op het Hoofd van den pandhuisdienst, aantoont de inbrenger of diens rechtverkrijgende te zijn, tenzij bij rechterlijk gewijsde anders is beslist.

ART. 16 De pandhuizen worden zoodanig ingericht, dat iedere beleener of losser zich, desverkiezende, van getuigen kan doen vergezellen. Het personeel mag hem daarin niet bemoeilijken.

ART. 17 t/m 21, enz. 1).

Art. 22. (1) Het vorderen of aannemen van meer rente dan volgens tarief verschuldigd is, het vorderen of aannemen van iets anders dan de geleende som met de volgens tarief verschuldigde rente en het lastgeven tot of het toelaten van eene of meer dier handelingen, wordt, indien zulks geschiedt met de wetenschap, dat het gevorderde of aangenomene niet verschuldigd is, gestraft, voor zooveel het europeanen en met dezen gelijkgestelden betreft, met de bij artikel 115 van het Wetboek van Strafrecht voor europeanen en voor zooveel het inlanders en met dezen gelijkgestelden betreft, met de bij artikel 122 van het Wetboek van Strafrecht voor inlanders bedreigde straffen.

(2) De overige, door het personeel van het pandhuis begane overtredingen van dit Reglement en van de daarbij bedoelde voorschriften en instructiën, kunnen worden gestraft met eene

1) Zie over verkoop der pandgoederen No. 117 B. hier achter.

Sluiten