Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beklaagden, met gevangenis van ten hoogste drie dagen of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste veertien dagen.

Bij de overtredingen, bedoeld in art. 3 no. 3 en bij iedere aanhaling van hout, waarvan de eigenaren onbekend zijn, wordt het hout door de politie, op kosten der rechthebbenden, in bewaring genomen en worden de eigenaren opgeroepen op de wijze, waarop zulks ter plaatse der opstapeling gebruikelijk is en, voor zooveel noodig geacht, in het officieel nieuwsblad.

Indien binnen drie maanden na de eerste oproeping het hout niet is opgevraagd bij verzoekschrift aan het Hoofd van het gewest, waar zich het hout bevindt, of wel indien dat verzoek als ongegrond is afgewezen, en er binnen dertig dagen, nadat de afwijzende beschikking ter kennis van den aanvrager is gebracht, terzake geene rechtsvordering voor den gewonen burgerlijken rechter is aanhangig gemaakt, wordt het hout in het openbaar, doch niet beneden den tariefprijs, verkocht.

Het bedrag van den verkoopprijs, na aftrekking der kosten van vervoer, bewaring en verdere ongelden, wordt in 's lands kas gestort en blijft gedurende drie jaren na den verkoop ten behoeve der gerechtigden beschikbaar.

Het Hoofd van gewestelijk bestuur beslist welke bestemming in het belang van den lande of van de inlandsche bevolking zal worden gegeven aan houtwerken, welke onverkocht zijn gebleven.

Gedurende drie jaren, nadat de openbare verkoop van die houtwerken is beproefd, kunnen de rechthebbenden hun recht nog doen gelden op het door den betrokken boschdistrict- of houtvesterij-beheerder bepaald geldswaardig bedrag dezer houtwerken, na aftrek van de in alinea 4 bedoelde ongelden. 1)

ART. 12. De oplegging, van de bij de voorgaande artikelen bedreigde boete-straffen, sluit het instellen der burgerlijke vordering tot vergoeding der toegebrachte schade niet uit.

Art. 13 (1) Artikel 3 no. 6 van bovengemeld besluit en de daarmede verband houdende strafbepaling in art. 11 zijn alleen toepasselijk op europeanen en de met europeanen of inlanders gelijkgestelden.

Ten aanzien der inlanders gelden, ook ten opzichte van het in de aangehaalde bepalingen behandeld onderwerp, de regelen omtrent de ontginning van woeste gronden, vervat in de ordonnantie van 7 Maart 1874 (Indisch Staatsblad no. 79). 2).

1) Zooals art. 10 gewijzigd is bij Stbl. 1881 no. 186. en art. 11 cfm. Stbl. 1907 no. 458.

2) Sedert vervangen door Stbl. 1896 No. 44. Zie No. 67 hier achter.

Sluiten