Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK HL

Stokerijen en distilleerderijen. Inrichting der werktuigen.

ART. 17. De werktuigen in stokerijen en distilleerderijen moeten, behoudens het bepaalde bij de tweede alinea van dit artikel, aan de volgende eischen voldoen :

le. de ruw- of distilleerketels moeten zijn ingemetseld of aan den muur of vloer der fabriek zijn bevestigd ;

2e. ruwketels, waarop eene zekere hoeveelheid grondstof in eens geladen en afzonderlijk afgestookt wordt — in tegenstelling van ruwketels met geleidelijken toevoer van grondstof — mogen geene kleinere inhoudsruimte dan van vijf hectoliter hebben;

3e. het voortbrengsel der ruwstoking moet alleen door de slang, die tot den ketel behoort, kunnen worden afgeleid ;

4e. het overgehaalde vocht moet alleen binnen de stokerij of distilleerderij kunnen worden opgevangen ;

5e. het uiteinde der slang van ruw- of distilleerketel moet zóó geplaatst zijn, dat het uitvloeiende vocht kunne worden onderzocht en afzonderlijk opgevangen ;

6e. de pijpen en buizen, die dienen of kunnen dienen tot het geleiden van stoom of gedistilleerd, moeten zoodanig worden gelegd of geplaatst, dat zij over geheele oppervlakten kunnen worden onderzocht, en mogen, met uitzondering van stoompijpen, niet buiten het fabrieksgebouw worden geleid;

7e. ieder afzonderlijk werktuig moet voorzien zijn van een opschrift, houdende in duidelijk zichtbare letters en cijfers, hetzij in olieverf of wel ingebrand of ingesneden, de aanwijzing van de bestemming en het nummer, dat voor dezelfde soort van werktuigen doorloopend moet zijn; voor zooveel noodig beslist de eerstaanwezend ambtenaar welke zaken als afzonderlijke werktuigen zijn aan te merken.

Wanneer enz.

ART. 18 enz.

ART. 19. In iedere stokerij en in iedere distilleerderij der eerste klasse moeten steeds ten gebruike der ambtenaren gereed gehouden worden een dubbele en een enkele decaliter en een litermaat, geschikt voor het meten van natte waren, zoomede een handlantaarn met voldoende lichtkracht.

Sluiten