Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Art. 9 t/m. 11 enz.

ART. 12. Op Zondagen en tusschen zonsondergang en zonsopgang mogen geene goederen worden afgescheept of ingeladen, zonder vergunning van den eerstaanwezend ambtenaar.

Zonder gelijke vergunning mag inlading aan den wal in andere vaartuigen dan laadprauwen alleen geschieden op de gebruikelijke plaatsen.

Art. 13 enz.

HOOFDSTUK IV.

ART. 14. Vóór het vertrek van een handelsvaartuig wordt door den gezagvoerder of namens hem door de agenten van het schip van het voornemen kennis gegeven, ten kantore van den ontvanger, onder mededeeling waarheen hij zich begeven zal, en neemt hij de ingevolge art. 1 al. 2 ingeleverde algemeene aangifte, betrekkelijk de elders te lossen goederen terug of ontvangt hij een door den ontvanger geteekend extract uit zijne algemeene aangifte, bevattende de niet geloste goederen.

Vóór zijn vertrek naar buiten het tolgebied moet hij, desgevraagd, de goederen vertoonen, die hij nog aan boord moet hebben.

ART. 15. Een handelsvaartuig mag niet vertrekken, vóórdat den havenmeester is overhandigd of — waar geen havenmeester is, of de ontvanger tevens diens functiën uitoefent— vóórdat de gezagvoerder in het bezit is van een bewijs van den ontvanger, dat voldaan is aan de verplichtingen ten opzichte der in- en uitvoerrechten, dan wel dat ten genoegen van den ontvanger, de agenten van het schip of anderen zich aansprakelijk hebben gesteld voor de beloopen boeten.

Deze bepaling is niet toepasselijk op inlandsche vaartuigen, op een jaarpas varende, evenmin op schepen, die niet langer dan 48 uren ter plaatse vertoeven en tevens aldaar geene handelsgoederen laden of lossen.

ART. 16. Ter plaatse, waar het kantoor gevestigd is, en tusschen die plaats en de zee mogen tusschen zonsondergang en zonsopgang handelsgoederen niet worden vervoerd met vaartuigen, waarvoor de in het vorig artikel bedoelde verklaring niet is afgegeven.

Sluiten