Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoowel voor het recht van successie, als voor de verhoogingen daarvan, die ter zake van de hiervoor bedoelde zaken of waarden verschuldigd zullen zijn. Zij verbeuren bovendien eeae boete, gelijkstaande met het bedrag van het verschuldigd recht, doch van tenminste f 100 (één honderd gulden).

(4) Op de vorderingen, waartoe dit artikel aanleiding geeft, zijn de voorschriften van artikel 47 toepasselijk.

ART. 37 t/m. 39 enz.

ART. 40. (1) Binnen twee maanden na de aangifte van een boedel, nagelaten door eenen ingezetene van Nederlandsch-Indië, moeten de aangevers, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindte, in persoon voor het Hoofd van plaatselijk bestuur, te hunner keuze, den volgenden eed (verklaring) afleggen:

„Ik zweer (verklaar) dat ik, bij de door mij gedane aangifte van „hetgeen door het overlijden van N. N. wordt geërfd of verkregen, „niets opzettelijk heb weggelaten, wat daartoe behoort en voor „de regeling van het recht van successie had moeten zijn „aangegeven; dat ik dezelfde schuld niet twee- of meer malen „heb opgebracht; dat ik geene lasten of schulden heb opgegeven, welke volgens de ordonnantie op het recht van successie „niet van de baten des boedels hadden behooren te worden „afgetrokken, dat ik de bezittingen buiten Nederlandsch-lndië, „voor zoover die in den boedel zijn, en de roerende goederen, „waarvan de waardeering aan de aangevers is overgelaten, „op die waarde heb gesteld, welke ik in gemoede vermeen bij .de genoemde ordonnantie te worden gevorderd ; eindelijk dat „ik dadelijk aangifte zal doen van en het recht van successie „zal betalen van al hetgeen ik naderhand zal vernemen niet of „kwalijk te hebben aangegeven.

„Zoo waarlijk helpe mij God almachtig.

„(Dat verklaar en beloof ik)".

(2) Indien de aangifte door een gemachtigde gedaan is, wordt de eed afgelegd door de personen, namens wie de aangifte is gedaan, behoudens het bepaalde bij artikel 43.

(3) Indien de aangifte gedaan is door of namens meer dan een erfgenaam of hunne wettelijke vertegenwoordigers, wordt de eed slechts afgelegd door één hunner, daartoe door den ambtenaar van de rechten van successie en van overgang aan te wijzen bij eene kennisgeving, welke hij binnen vijf dagen na de aangifte aan den gekozene zendt.

Sluiten