Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen vervolging wordt ingesteld dan op klacht van hem, têrt aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.

§ 3. Hij, die, daartoe gehouden, nalaat de verplichting na te komen, opgelegd bij artikel 30 §§ 2, 3 en 4, wordt gestraft met eene geldboete van tien tot honderd gulden.

§ 4. Hij, die, daartoe gehouden, nalaat de verplichting na te komen, opgelegd bij artikel 31, wordt gestraft met eene geldboete van één tot vijfentwintig gulden.

§ 5. Hij, die, daartoe gehouden, nalaat de verplichting na te komen, opgelegd bij artikel 34, zoomede hij, die nalaat gevolg te geven aan de oproeping tot beëediging van zijne aangifte, bedoeld in het laatste lid van artikel 43, wordt gestraft met eene geldboete van tien tot vijfhonderd gulden.

§ 6. Overtreding van een der voorschriften, vervat in artikel 54, wordt gestraft met eene geldboete van tien tot honderd gulden.

§ 7. Wanneer in de gevallen, bedoeld in de §§ 3 tot en met 6 van dit artikel, is aan te nemen, dat bij den verdachte geen opzet heeft bestaan, kan hij, mits vóór de dagvaarding, door het Hoofd van gewestelijk bestuur tot transactie over de geldboete worden toegelaten.

No. 57. BELASTING op de bedrijfs- en andere inkomsten op Java en Madoera.

Staatsblad 1907 No. 182, zooals het is gewijzigd bij Stbl. 1908 No. 146 en toegelicht bij Stbl. 1908 No. 299.

ART. 1. Onder den naam van belasting op de bedrijfs- en andere inkomsten wordt eene belasting geheven van alle personen, behoorende tot de inlandsche en daarmede gelijkgestelde bevolking L(opgezetenen van particuliere landerijen daaronder begrepen) op Java en Madoera, uitgezonderd :

a. de eigenlijkgezegde inlanders in de residentie Soerakarta en Jogjakarta, voorzoover zij geene rechtstreeksche onderdanen van het N. I. Gouvernement zijn ;

b. de hoofden en de be/olking van de zoogenaamde perdikan desa's, alsmede van de desa's, uitsluitend bestemd ter bewaking van de gravender voorouders van vorsten, regenten en andere inlandsche hoofden, of van tempels en andere in de oogen der inlandsche bevolking heilige plaatsen.

ART. 2 t/m. 11 enz. 1).

1) Art. 3 is gewijzigd bij Stbl. 1908 no. 145 en toegslicht bij Stbl. 1908 no. 299.

Sluiten