Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 2. Vóórdat het vaartuig of vlot door de sluis gelaten wordt, moet het volgens artikel 1 verschuldigde zijn betaald.

De persoon, van Landswege belast met het toezicht op de heffing der schut- of doorvaartgelden, kan bepalen, dat vlotten alleen op met goedkeuring van het Hoofd van plaatselijk bestuur vastgestelde uren door de sluis gelaten mogen worden.

De sluiswachter of bedienaar der sluis verstrekt aen prauwvoerder of den voerder van het vlot, na ontvangst van het verschuldigde, een ontvangstbewijs, afgegeven door of van wege den persoon, van Landswege met het toezicht op de heffing van de schut- of doorvaartgelden belast, welk biljet genomen moet zijn uit een register, ingericht overeenkomstig een door den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken vastgesteld model.

Aan dat biljet is voor prauwen of vaartuigen een tweede biljet gehecht, tegen afgifte waarvan de doorlating door de sluis op de terugvaart of bij een tweede vaart verder kosteloos kan geschieden. Indien dit tweede biljet niet wordt vertoond en afgegeven, wordt geacht, dat de heffing, in artikel 1 bedoeld, nog niet heeft plaats gehad, en wordt de betaling, daar bepaald, alsnog gevorderd.

Dit tweede biljet mag alleen worden gebruikt ten behoeve van de prauw of het vaartuig, waarvoor het bijbehoorend eerste biljet is afgegeven.

Indien van het tweede biljet geen gebruik wordt gemaakt, kan het Hoofd van gewestelijk bestuur, op verzoek van belanghebbende, gelasten, dat daarop, tegen inlevering van het biljet, vijf cent per koijang wordt terugbetaald.

Die verzoeken, zoo ze schriftelijk plaats hebben, zoowel als de in dit artikel bedoelde biljetten, zijn vrij van zegel.

ART. 3. Vaartuigen of vlotten, toebehoorende aan den Lande, en vaartuigen of vlotten, uitsluitend beladen ten behoeve van den Lande, zijn van de retributie vrijgesteld Zij bekomen bij de doorlating gelijke biljetten, als in artikel 2 bedoeld, waarop echter vermeld staat, dat de doorlating zonder betaling van retributie geschiedt.

Voor de toepasselijkheid van dit artikel is noodig vertoon van een bewijs van een, tot de afgifte daarvan, bevoegd persoon, welk bewijs blijft berusten bij den beambte, met het toezicht op de heffing belast, en door dezen te zijner tijd bij zijn verantwoording wordt gevoegd.

ART. 4. Totdat de prauwvoerder of de voerder van het vaartuig of vlot zijne eindbestemming heeft bereikt, moet hij, op afvrage, aan de ambtenaren of beambten der politie of van den

Sluiten