Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Van het in gebruik stellen van stoomketels.

Art. 2. t/m 6 enz.

Art. 7. (1) De plaatdikten van de stoomketels en de afmetingen van hunne samenstellende deelen moeten, in verband met den vorm der ketels, de gebezigde metaalsoort en den aard van het geleverde werk, voldoenden waarborg aanbieden voor de veiligheid bij het gebruik.

(2) De grondslagen, waarop de beoordeeling of aan die eischen voldaan is, moet berusten, worden door den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken vastgesteld en, zoowel in Nederland als in Indië, gepubliceerd. Wijzigingen daarin worden op gelijke wijze tot stand gebracht. Indien zij zwaardere eischen stellen dan tevoren golden, worden zij niet eerder toegepast dan een jaar na de bekendmaking.

(3) Gegoten ijzer mag alleen worden gebezigd:

a. voor rechtstreeks met den ketel in verbinding staande en om die reden daarvan een deel uitmakende stoommantels van de cylinders der stoomwerktuigen, wanneer deze op den ketel geplaatst zijn ;

b. voor deelen van geringe afmetingen, waarbij zulks qeen gevaar kan opleveren ;

hiertoe worden niet gerekend te behooren de deelen, die van tij tot tijd losgemaakt moeten worden, zooals deksels van manen slijkgaten, verbindingsstukken van de uiteinden der buizen van waterbuisketels en dergelijke ;

onder gegoten ijzer wordt ten aanzien van de hier bedoelde deelen met verstaan materiaal, dat blijkt door eene bijzondere bewerking voldoende taai te zijn gemaakt (smeedbaar gietijzer).

,, (4) Geel koper mag alleen voor vlampijpen van ten hoogste een decimeter wijdte en voor die appendages, waarvoor geen ander materiaal is voorgeschreven, worden gebezigd.

(5) Waar in dit reglement het gebruik van brons is voorgeschreven, kunnen ook andere legeeringen worden toeqepast voor zoover die, naar het oordeel van den Hoofdingenieur van' het stoomwezen, geacht kunnen worden voor het doel minstens even geschikt te zijn.

Art. 8. (1) Elke stoomketel moet voorzien zijn van : a. minstens twee goed ingerichte veiligheidskleppen van voldoende afmetingen, geplaatst op den ketel zeiven, dan wel op den stoomhouder ;

Sluiten