Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. gronden, aan inlanders toekomende als deelgenooten iti het gebruik der gemeentevelden, in erfelijk individueel bezit of als ambtsveld;

(2) Verhuring van grond, op hoog gezag of vrijwillig met koffieboomen beplant, en van gemeene weidegronden is verboden.

ART. 2. De overeenkomsten tot verhuring van grond, als bedoeld bij het eerste lid van het vorig artikel, worden beheerscht door de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek voor NederlandschIndië, voor zoover deze ordonnantie geene daarvan afwijkende voorschriften bevat.

ART. 3. (1) De huurovereenkomsten zijn niet rechtsgeldig vóór van het bestaan daarvan gebleken is bij akten, verleden ten overstaan van een Controleur of Aspirant-Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur, of van een bij dien diensttak werkzaam gesteld Ambtenaar voor den Burgerlijken Dienst, of Burgerlijk Ambtenaar, ieder, voor zoover de verhuurde grond gelegen is binnen zijn ambtsgebied of binnen het ressort van den ambtenaar, aan wien hij is toegevoegd.

Het Hoofd van plaatselijk bestuur is bevoegd, zoo noodig, ook andere landsdienaren, schriftelijk en met vermelding van ieders ressort, met het verlijden dier akten te belasten.

(2) De in de vorige alinea bedoelde personen zijn, ten aanzien van de uitoefening der bij of krachtens die bepaling hun opgedragen functie, openbare ambtenaren.

ART. 4. (1) De huurovereenkomsten worden, ingeval daartegen

geen wettelijk bezwaar bestaat, buiten bemoeienis van partijen en met inachtneming van de ter zake gestelde regelen en c. q. door het Hoofd van gewestelijk bestuur gegeven instructiën," bekrachtigd door het Hoofd van plaatselijk bestuur der afdeeling, waarin de grond gelegen is, of door den Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur, aan wien om bijzondere redenen de bevoegdheid daartoe door den Gouverneur-Generaal mede is verleend.

(2) Ingeval van weigering der bekrachtiging kan de huurder, mits binnen veertien dagen na den datum dier beschikking, door tusschenkomst van het Hoofd van plaatselijk bestuur in hooger beroep komen bij het Hoofd van gewestelijk bestuur.

(3) Indien de in de vorige alinea gestelde termijn verstreken is, zonder dat de huurder gebruik heeft gemaakt van de hem bij die bepaling verleende bevoegdheid, of op diens hooger beroep afwijzend is beslist, kan de verhuurder weder over den

Sluiten