Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boete van ten hoogste twee honderd gulden voor iederen passagier, die na de uilklaring aan boord is genomen.

ART. 49. Het doen vertrekken van een schip, als in artikel 30 bedoeld, zonder behoorlijk uitgeklaard te zijn, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste een honderd en vijfentwintig gulden voor iederen passagier, die aan boord is.

ART. 50. Het nalaten van het voorgeschrevene bij de artikelen 36 en 38, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijf honderd gulden.

ART. 51. Het aan den wal zetten van passagiers tegen hun wil in eene andere haven, dan met hen is overeengekomen, behalve wanneer zij uithoofde van eene ziels- of lichaamskwaal hinderlijk of gevaarlijk zijn voor de medereizigers, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste twee honderd en vijftig gulden voor eiken passagier, te wiens opzichte de overtreding begaan is.

ART. 52 Het niet op eene in het oog vallende wijze op de door de keuringscommissie, respectievelijk havenmeester, aangewezen plaats opgehangen zijn van de origineele certificaten, bedoeld in de artikelen 12 en 33, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste twee honderd vijftig gulden.

ART. 53. Overtreding van het voorschrift, bij artikel 41 gegeven, betreffende het zich aan boord bevinden van een geneesheer, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste tien duizend gulden.

ART. 54. Voor de boeten, wegens overtreding van de bepalingen dezer ordonnantie verschuldigd, zijn de eigenaars van het schip en de gezagvoerder aansprakelijk.

ART. 55. Voor de betaling der krachtens deze ordonnantie opgelegde boeten en gemaakte kosten van gerechtelijke vervolging is het schip verbonden en executabel.

ART. 56. Deze ordonnantie treedt in werking op 1 Januari 1908.

Sluiten