Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 74, 1892 No. 220, 1904 No. 378 en 1906 No. 193 1)

ART. 1. Alle inlanders, behoorende tot de oorspronkelijke bevolking van Java en Madoera mogen op deze beide eilanden zonder pas te land reizen.

Bij reizen over zee moeten zij voorzien zijn van een pas, overeenkomstig het aan deze ordonnantie gehecht model lett. A., na persoonlijke ondervraging kosteloos af te geven door het Hoofd van bestuur der plaats, waar de zeereis aanvangt. 2)

Deze passen worden op de plaats der bestemming van de reis afgeteekend door of namens het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur.

Op tusschenplaatsen gedurende de zeereis, waar de personen, in dit art. bedoeld, langer dan driemaal 24 uren vertoeven, zijn zij verplicht den pas ter viseering aan te bieden aan het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur.

ART. 2. Aan inlanders, die voor hunne reizen over Java en Madoera een pas verlangen, wordt die door het districtshoofd, dan wel door of namens het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur der plaats hunner inwoning, kosteloos afgegeven.

Deze hoofden zijn ook verplicht de passen van doortrekkende inlanders, volgens dit art. afgegeven, af te teekenen of te doen afteekenen, wanneer dit verlangd wordt.

ART. 3. 3) Personen, die met inlanders zijn gelijkgesteld en inlanders, die niet op Java en Madoera tehuis behooren, moeten voor reizen, zoo te land over Java en Madoera, als over zee, voorzien zijn van een pas, kosteloos af te geven door of namens het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur, volgens het aan deze ordonnantie gehecht model Lett. B.

Deze passen zijn geldig voor een jaar. 4)

11 Bii Stbl. 1871 No. 130 is ingetrokken het bij Stbl. 1820 No. 27 en 1821 No. 4 uitgevaardigd verbod tot het reizen in de Preangerregentschappen door Vreemde Oosterlingen.

Zie over de bijzondere passenbepalingen voor eenige categorieën van personen E No. 79 hier achter.

Bii BB. No. 6700 is verzocht om chineezen, die in het bezit zijn van een identiteitsbewijs, afqegeven door den Consul der Nederlanden te Kobe, en in Japan woonachtig zijn, met de meeste welwillendheid te bejegenen en hun geenerlei moeilijkheden in den weg te leqqen en in het algemeen elders woonachtige voorname chineezen met voorkomendheid te behandelen en hun te wijzen op Stbl. 1896 No. 161 om van den Landvoogd vergunning te vragen tot reizen in Ned. Indië of in deelen daarvan.

2) Zooals deze alinea luidt cfm. Stbl. 1906 No 193.

Bij BB. No. 6464 zijn instructiën gegeven omtrent het onderzoek vóór men zoo'n zeepas afgeeft en wordt gewaarschuwd tegen misleiding.

3) Zooals de 4e al. van dit art. is gewijzigd bij Stbl. 1875 No. 103; bij Stbl. 1886 No. 56 is aan dit art. de slotalinea toegevoegd.

4). Zie toelichting bij Bijblad No. 5133 hier achter, zoomede de circulaire van den 1sten Gouvts. Secretaris van 24 Januari 1896 No. 194 en zijne missive van 11 April 1897 No. 839, hier achter gevoegd.

Sluiten