Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 2410.

bijlagen : Buitenzorg, den 31 sten Juli 1905.

Met de bij Uwe missives van 8 en 22 November 1904 No. 140/10 en 156/10 gedane voorstellen tot aanvulling van het, bij § II der ordonnantie in Staatsblad 1904 No. 378 in de bij artikel 2 van Staatsblad 1863 No. 83 vastgestelde bepalingen, ingevoegd artikel 4a, heeft de Gouverneur-Generaal zich niet kunnen vereenigen

Eene clausule, krachtens welke de bij evengenoemd artikel bedoelde schriftelijke vergunningen alleen zouden kunnen worden uitgereikt voor reizen naar die hoofdplaatsen van gewesten, afdeelingen en districten, waar wijken voor Vreemde Oosterlingen zijn aangewezen, zou in strijd zijn met den milden geest, welke bij de vaststelling van meergemeld artikel heeft voorgezeten.

Bovendien konden ook vóór de inwerkingtreding van Staatsblad 1904 No. 378 Vreemde Oosterlingen met een pas, als bedoeld bij artikel 3 der bepalingen, vastgesteld bij artikel 2 van Staatsblad 1863 No. 83, zich reeds begeven naar plaatsen in een ander gewest dan dat hunner inwoning, alwaar geen wijken voor hen waren aangewezen, zoodat niet duidelijk is waarom het toezicht op het reizen van Vreemde Oosterlingen, tengevolge van de vaststelling van meerbedoeld artikel 4a, moeielijker zou zijn geworden.

Wat betreft de door UHEdG. gewenschte verplichting om de bij dat artikel bedoelde schriftelijke vergunningen ter viseering aan te bieden, op gelijke wijze als dit bij Staatsblad 1863 No. 83 juncto 1886 No. 56 ten aanzien van passen is bepaald, dit punt is bij de vaststelling van de ordonnantie in Staatsblad 1904 No. 378 opzettelijk overwogen en toen is beslist dat er geene noodzakelijkheid bestond om zulk eene verplichting in het artikel op te nemen.

Op last van Zijne Excellentie heb ik de eer UHEdG. het vorenstaande mede te deelen.

De le Gouvernements Secretaris, (w. g.) DE GROOT.

Aan

Den Resiaent van Pekalongan,

Sluiten