Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 64. Remtoestellen.

In eiken trein, uit de locomotief of den motorwagen en meer dan twee andere voertuigen bestaande, moet, behalve de locomotief of motorwagen minstens één der andere voertuigen van een zeker werkend remtoestel voorzien zijn. Bij treinen, welke zich met eene snelheid van meer dan 25 K. M. per uur bewegen en uit de locomotief of den motorwagen en meer dan twee andere voertuigen bestaan, moet behalve de locomotief of motorwagen minstens een achtste van het aantal assen der andere voertuigen aan beide wielen geremd kunnen worden.

Op wegen met hellingen van 500 meter of meer lengte en steiler dan 1 op 100, moet, behalve de locomotief of motorwagen, minstens een vierde van het aantal assen der andere voertuigen aan beide wielen geremd kunnen worden.

Voor wegen met bijzondere lange of steile hellingen kan door den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken een grooter aantal remmen voorgeschreven worden.

Elk verplicht remtoestel moet bediend worden.

ART. 65. Locomotieven of motorwagens onder stoom.

Zoolang een locomotief of motorwagen onder stoom stilstaat, moet de stoom worden afgesloten, de gangkruk in rust gesteld en de rem aangeklemd zijn, terwijl öf de machinist öf een stoker zich op de locomotief of den motorwagen moet bevinden.

ART. 66. Afblazen van stoom.

Het afblazen van stoom is verboden, wanneer door de nabijheid van dieren gevaar voor het verkeer buiten den tramweg kan ontstaan.

ART. 67. Berijden der sporen bij wegen mst dubbel spoor.

Daar, waar dubbel spoor ligt, moeten de treinen in de richting, waarin zij zich bewegen, het rechterspoor houden.

ART. 68. Verlichting van den trein.

Vóór zonsopgang en na zonsondergang moet elke trein van voren van twee helder brandende lantaarns met rood licht en van achteren van twee helder brandende lantaarns met groen licht voorzien zijn.

Bij tramwegen, die niet op den openbaren weg zijn aangelegd en, voor zoover zij langs openbare wegen loopen, daarvan door afsluitingen gescheiden zijn, mogen bovenbedoelde rood licht gevende lantaarns door lantaarns met wit licht vervangen worden.

ART. 69. Rangeerende treinen.

De bepalingen der artikelen 64 en 68 zijn niet van toepassing op rangeerende tfeinen.

Sluiten