Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 18. Het vervoer op de tramwegen mag met geene grootere snelheid geschieden dan van vijftien kilometer in het uur.

Voor plaatsen, waar deze snelheid voor het algemeen verkeer of om andere redenen gevaarlijk wordt geacht, kan door het Hoofd van gewestelijk bestuur eene mindere snelheid worden voorgeschreven.

De snelheid wordt in elk geval verminderd bij het rijden door bochten, op druk bezochte wegen, bij wegovergangen en verder overal, waar de veiligheid van personen of van gewone rij- of

voertuigen dit vordert.

Waar de treinen loopen over tramwegen, die op openbare wegen zijn aangelegd, mag de lengte dier treinen in den regel niet grooter zijn dan vijftig meter; op verzoek van de gebruikers van den tramweg kan, in bijzondere gevallen, ter beoordeeling van het Hoofd van gewestelijk bestuur, tot wederopzeggens eene grootere lengte tot ten hoogste 100 meter, met inbegrip van de lengte der locomotief, worden toegestaan. 1)

Bij het gebruik van treinen, langer dan 40 meter, wordt het aantal remtoestellen, hetwelk buiten dat der locomotief in den trein aanwezig moet zijn, door het Hoofd van gewestelijk

bestuur voorgeschreven. 1)

Van dit voorschrift, zoomede van de weigering van het verzoek om eene grootere treinlengte toe te staan, alsmede bij opzegging van eene ter zake reeds verleende vergunning, is beroep op den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken toegelaten. 1)

Elk verplicht remtoestel moet bediend worden en tenminste op twee wielen van eenzelfde as werken. 1)

In beweging zijnde treinen, op enkel spoor, mogen elkander, tenzij op de wisselplaatsen, niet dichter naderen dan op een afstand van drie honderd meter.

De locomotief moet steeds aan het hoofd van den trein geplaatst zijn.

Dubbele tractie is verboden.

ART. 19. Vervoer, ten dienste van het algemeen, op de in dit Reglement bedoelde tramwegen, is verboden.

ART. 20. Treinen of voertuigen, tusschen zonsondergang en zonsopgang op het over een openbaren weg loopend gedeelte van een tramweg verkeerende, moeten aan het hoofd en aan het eind voorzien zijn van eene lantaarn, die rood licht geeft aan de van den trein of het voertuig afgekeerde zijde.

1) Zooals de2e alinea's luiden cfm. Stbl. 1902 No. 384.

Sluiten