Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 5. (1) De bestuurder van eene automobiel moet zorgen het voertuig ten allen tijde volkomen meester te zijn en moet steeds de grootste behoedzaamheid in acht nemen.

(^) ontmoeten of inhalen van langs den weg gedre¬

ven of geleid vee en van ingespannen, bereden of losse paarden, moet hij de snelheid verminderen of stoppen, wanneer de dieren onrustig worden en de geleider of bestuurder der dieren een waarschuwend teeken geeft.

(3) Voorts behoort door den bestuurder van eene automobiel alles te worden vermeden, wat het schrikken der dieren tot gevolg zou hebben.

Art. 6. De bestuurder van eene automobiel is verplicht tijdig met de bel, den hoorn of de fluit een duidelijk sein te geven bij het achteroprijden van rij- of voertuigen, rijwielen of personen, paarden of vee, bij het naderen van kruispunten, krommingen, hoeken, bruggen en in het algemeen telkens, wanneer dit in het belang der veiligheid van het verkeer langs den weg gevorderd wordt.

ART. 7. De voor verkeer op de openbare wegen bestaande of later te maken bepalingen en de ten aanzien van andere, niet op spoorstaven loopende, rijtuigen op die wegen geldende gebruiken moeten, voor zoover zij daarop van toepassing kunnen zijn, ook voor automobielen worden gevolgd.

ART. 8. Met uitzondering van de zoogenaamde strantlocomotieven, voor zoover deze, volgens het oordeel der in artikel 1 alinea 2 van dit Reglement bedoelde autoriteit, daartoe geschikt zijn, mogen de voertuigen, waarop dit Reglement van toepassing is, niet gebezigd worden om andere voertuiqen te trekken. 1)

Art. 9. (1) Niemand wordt als bestuurder van eene automobiel op den openbaren weg toegelaten, dan die door proefritten en door een onderzoek, ten genoegen van het Hoofd van bestuur der plaats, waar het voertuig in gebruik wordt gesteld, bewijzen van bekwaamheid en van bekendheid met de voorschriften en gebruiken voor het verkeer op de openbare wegen heeft gegeven.

(2) Bedoeld Hoofd van plaatselijk bestuur geeft aan hem, die als bestuurder van de automobiel wordt toegelaten, eene schriftelijke verklaring daarvan af, welke, evenals de akte van

1) Zooals art. 8 luidt cfm. Stbl. 1902 No. 340.

Sluiten