Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2e. het verblijf van het schip aan het laadhoofd mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk is, ter beoordeeling van den havenmeester;

3e. noch de opvarenden, noch de lading, noch tot het schip behoorende laadbenoodigdheden, mogen gemeenschap hebben met den wal ;

4e. het schip mag alleen gemeenschap hebben met den wal door middel van trossen of kettingen, noodig om het schip te meeren, en deze moeten voorzien zijn van rattenschilden van een middellijn van ongeveer 2 (twee) meter, overeenkomende met het model, aangegeven door den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid en berustende bij den havenmeester,' die voorschrijft op welke wijze die schilden aan de trossen of kettingen moeten worden vastgemaakt;

5e. het emplacement aan den wal, waar het kolen Iaden plaats heeft, moet — ter beoordeeling van de met het gezondheidsonderzoek belaste autoriteit — - van de omgeving voldoende zijn afgesloten door eene, desgewenscht verplaatsbare, minstens

(twee) meter hooge omrastering van zoogenaamd volièregaas van zoodanige dichtheid, dat geen ratten of muizen er doorheen

kunnen ;

6e. werklieden van den wal mogen bij het kolen laden worden gebezigd wanneer zulks bepaald noodig is en door afdoend toezicht ter beoordeeling van de met het gezondheidsonderzoek belaste autoriteit — elke aanraking met de opvarenden van het schip kan worden vermeden ;

7e. na afloop der werkzaamheden moeten de werklieden van den wal, hunne kleeren en de bij de werkzaamheden gebruikte benoodigdheden worden ontsmet. Deze ontsmetting moet geschieden binnen de onder 5e. genoemde omrastering.

(3) Het inladen der kolen kan des nachts geschieden, wanneer de plaats der werkzaamheden voldoende verlicht is, ter beoordeeling van den havenmeester.

Art. 24. (1) Wanneer op een schip, verkeerende in een der gevallen, bedoeld bij artikel 21, bij of na aankomst veel pestzieken voorkomen, dan wel wegens andere bijzondere omstandigheden als bijv. overvulling van een emigrantenschip, het gevaar voor besmetting van de niet zieke opvarenden bij voortgezet verblijf aan boord groot is, wordt, na ingewonnen advies van de met het gezondheidsonderzoek belaste autoriteit, aan de opvarenden, die niet aan pest lijden, gelegenheid gegeven

Sluiten