Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nederlandsch-Indië niet worden ingevoerd, zoo zij afkomstig zijn uit eene wegens pest besmet verklaarde plaats of landstreek of aldaar zijn in- of overgescheept.

ART. 27. (1) Wanneer de schipper van een vaartuig, verkeerende in een der gevallen, bedoeld bij artikel 21, zich aan de voorschriften dezer ordonnantie en de hem door de bevoegde autoriteit gegeven aanwijzingen niet wil onderwerpen, staat het hem vrij weder naar zee te vertrekken.

12) Vooraf kan hij door de met het gezondheidsonderzoek belaste autoriteit gemachtigd worden, zijne koopmansgoederen, behoudens die, waarvan de invoer verboden is, te lossen, nadat de noodige voorzorgsmaatregelen genomen zijn, als : isoleering van het schip met de opvarenden, verwijdering van het ruimwater na ontsmetting daarvan en vervanging van het aan boord aanwezige drinkwater door zuiver water van den wal.

(3) De passagiers, die het verlangen hiertoe te kennen geven, kunnen door laatstgenoemde autoriteit in de gelegenheid worden gesteld om met hunne bagage het schip te verlaten, doch alleen indien er, ter beslissing van het Hoofd van plaatselijk bestuur, aan den wal eene inrichting bestaat om ze overeenkomstig artikel 24 af te zonderen voor zoolang het verbod van vrije gemeenschap met den wal duurt.

§ 3. Slot- en strafbepalingen.

ART. 28. Bij verschil van meening over de vraag, of goederen vallen onder de toepassing van eenige bepaling van de artikelen 8,9 of 26, beslist het Hoofd van plaatselijk bestuur in hoogste ressort.

ART. 29. Overtreding van artikel 2 wordt gestraft met eene boete van tien tot honde/d gulden of, voor zooveel betreft europeanen of met dezen gelijkgestelden, met gevangenis, en inlanders of met dezen gelijkgestelden, met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van drie tot acht dagen.

ART. 30. (1) Overtreding van eene verbodsbepaling in de artikelen 8, 9 of 26 wordt gestraft, voor zooveel betreft europeanen of met dezen gelijkgestelden, met gevangenis, en inlanders of met dezen gelijkgestelden, met dwangarbeid buiten den ketting van veertien dagen iot één jaar, of boete van vijfentwintig tot vijf honderd gulden.

(2) De vernietiging der in strijd met de verbodsbepalingen inof uitgevoerde, dan wel overgescheepte goederen, kan in het vonnis, zelfs bij vrijspraak, gelast worden.

Sluiten