Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gelijk verbod uit te vaardigen met betrekking tot het door hen bestuurd gewest.

Art. 3. Wordt door de in het vorig artikel bedoelde Hoofden van gewestelijk bestuur van de hun daarbij verleende bevoegdheid geen gebruik gemaakt, dan wordt voor het vee, dat in het door hen bestuurd gewest uit Achter-Indië wordt ingevoerd, de tijd, gedurende welken het ingevolge de ordonnantie van 20 April 1893 (Staatsblad No. 110) in quarantaine moet worden gehouden, met afwijking van het bepaalde bij de laatste alinea van art. III dier ordonnantie, gesteld op vier weken.

ART. 4. 1) De schepen, waarop zich dieren bevinden, waarvan, volgens de bepalingen dezer ordonnantie, de invoer verboden is, moeten op eerste aanzegging van de autoriteit, die over de reede of haven het rechtstreeksch gezag uitoefent, onmiddellijk zich vandaar verwijderen!

Zij worden eerst weder op de reede of in de haven toegelaten, zoodra het aan boord aanwezige vee is afgemaakt, men de doode lichamen op den bodem der zee heeft doen zinken en schip en lading behoorlijk, ingevolge de daarvoor gegeven voorschriften, ten overstaan van eene daartoe door het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur benoemde commissie, zijn gedesinfecteerd.

ART. 5. Wanneer, nadat de aanzegging, bedoeld bij het eerste lid van art. 4, heeft plaats gehad, de gezagvoerder daaraan niet onmiddellijk voldoet, is alle gemeenschap met het schip terstond verboden.

Het plaatselijk bestuur zorgt dat hiervan onmiddellijk kennis gegeven wordt aan den betrokken gezagvoerder, aan de gezagvoerders van alle ter reede liggende vaartuigen en aan elk en een iegelijk, die zich naar de haven of reede begeeft.

Art. 6. De gezagvoerder, die niet onmiddellijk gevolg geeft aan de aanzegging, bedoeld bij het eerste lid van art 4, wordt gestraft met eene geldboete van tenminste f 100.— en ten hoogste f 500.—

Overtreding van het verbod in art. 5 wordt, naar gelang van den landaard van den overtreder, gestraft met gevangennisstraf of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van zes dagen tot één maand.

Andere overtredingen van de bepalingen dezer ordonnantie worden gestraft met eene geldboete van tenminste f 10.— en

1) Dit art. 4 is bij Stbl. 1903 No. 344 jo. 1904 No. 439 onder bepaalde voorwaarden gewijzigd.

Sluiten