Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoover deze buiten gebouwen zijn aangebracht, moeten van een voldoend aantal bliksemafleiders zijn voorzien.

20e. De werktuigen en toestellen, waarin het electrisch arbeidsvermogen wordt verbruikt, moeten doelmatig zijn aangegebracht, bevestigd of opgesteld.

21e. De deelen bij werktuigen, geleidingen of andere inrichtingen, waar bij het gebruik van electrische wisselstroomen spanningen van 250 Volt of meer, en bij het gebruik van gelijk gerichte stroomen spanningen van 500 Volt of meer bestaan, moeten, voor zoover het gebruik zulks veroorlooft, ontoegankelijk zijn gemaakt.

22e. De isolatieweerstand van het geheele geleidingsnet en van elk zijner hoofddeelen moet voldoende zijn.

23e. In de electrische geleidingen moet een voldoend aantal doelmatige veiligheidsverbindingen zijn geplaatst en behoorlijk worden onderhouden.

24e. De electrische inrichtingen moeten periodiek worden onderzocht en de uitkomsten dezer onderzoekingen moeten nauwkeurig worden aangeteekend.

25e. De steigers met toebehooren moeten voldoen aan den eisch van goed en veilig werk.

26e. De bordessen en gaanderijen, vloer- eri~wandopeningen moeten, indien zulks ter voorkoming van gevaar wenschelijk is, doelmatig zijn beschut.

27e. De werkvloeren moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren.

28e. De trappen moeten tenminste aan eene zijde van eene stevige leuning of een stevig traptouw zijn voorzien.

29e. De ladders, die verplaatsbaar zijn, moeten van beveiligingsmiddelen tegen uitglijden zijn voorzien.

30e. Op hijschkranen en andere hefwerktuigen moet het maximum hefvermogen duidelijk vermeld staan; de bewegende deelen van die werktuigen, als kettingen, palraderen en remmen, moeten steeds in goeden staat van onderhoud verkeeren.

31e. De vaste kuipen of bakken, waarin zich kokende, heete of bijtende vloeistoffen, gloeiende of gesmolten metalen bevinden, de onbedekte grondkuipen, reservoirs en putten, voor zoover die gevaar kunnen opleveren, moeten _ zoo mogelijk door op 0.90 M.

Sluiten