Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 110 MIJNWET EN MIJNORDONNANTIE.

A. MIJNWET. Wet van den 23sten Mei 1899, houdende vaststelling van eene Indische mijnwet. 1)

Staatsblad 1899 No. 214.

ART. 1. (1) Over de navolgende delfstoffen mag in Nederlandsch-Indië de rechthebbende op den grond niet beschikken: edelgesteenten, platina, osmium, iridium, goud, zilver, kwik, bismuth, molybdeen, tin, wolframium, lood, koper, zink, cadmium, nikkel, kobalt, chroom, ijzer, mangaan, antimoon, arsenik en strontium, alle hetzij gedegen, hetzij als erts, alsook andere delfstoffen, wanneer zij met de hiergenoemde in dezelfde afzetting gevonden worden en dus gezamenlijk gewonnen dienen te worden , graphiet, anthraciet en alle soorten van steen- en bruinkool, delfstoffen, die op haar gehalte aan zwavel, of voor de vervaardiging van aluin en vitriool ontgonnen kunnen worden; phosphaten, die tot bemesting dienen, en salpeter;

aardolie, aardpek, aardwas en alle andere soorten van bitumineuze zelfstandigheden, zoowel vaste als vloeibare, benevens de daarmede voorkomende gasvormige zelfstandigheden ;

steenzout, benevens de daarmede in dezelfde afzetting voorkomende zouten.

(2) Ingeval van twijfel of eenige delfstof tot de in het vorig lid genoemde behoort, beslist de Gouverneur-Generaal.

(3) Het recht om die delfstoffen op te sporen of te ontginnen wordt verkregen, overeenkomstig de voorschriften dezer wet.

ART. 2. (1) In deze wet wordt onder opsporing of mijnbouwkundige opsporing verstaan het opzettelijk ingesteld onderzoek naar de in art. 1 genoemde delfstoffen met het oogmerk om recht tot mijnontginning te verwerven; en onder ontginning of mijnontginning de opzettelijke winning van deze delfstoffen, onverschillig of die winning geschiedt door onderaardsche mijnwerken, open groeven, grondboringen of op andere wijze.

(2) Deze wet kent aan de uitdrukkingen onderzoekingsveld, concessieveld, en mijnveld het begrip van ruimte toe, en aan de uitdrukkingen onderzoekingsterrein en concessieterrein dat van oppervlakte.

ART. 3. In deze wet worden verstaan:

a. onder rechthebbenden op den grond degenen, die een zakelijk recht daarop hebben, onverschillig of dit door

1) Zie „Mijnordonnantie" ter invoering der mijnwet onder B hier achter en zie over „Mijnontginningen c. a." No. 66 hier voren.

Sluiten