Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkeer, de instandlating der in die wegen aangebrachte werken, nadat niet langer over den grond behoeft te worden beschikt, zoomede omtrent de plaatsing op den grond van voor het opsporingsbedrijf onmisbare tijdelijke gebouwen en inrichtingen. Onverminderd het bepaalde bij het eerste lid van art. 511, zal de voor de oprichting van die tijdelijke gebouwen noodige grond niet in gebruik mogen worden genomen zonder vooraf door of van wege den houder der vergunning omheind te zijn en gedurende het gebruik omheind moeten worden gehouden, een en ander ten genoegen van het betrokken Hoofd van plaatselijk bestuur.

(5) Het bepaalde bij het eerste, tweede en vierde lid van dit artikel geldt ook bij beschikking over grond, gelegen binnen 's Lands bosschen, welke niet onder geregeld beheer staan, met dien verstande dat dan de vergoeding van het weggekapt houtgewas zal worden berekend door het Hoofd van gewestelijk bestuur in overleg met den houder der vergunning en dat in dat geval ook de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden zullen moeten worden schadeloos gesteld.

Art. 133 t/m 362 enz.

ART. 363. (1) Van de beslissingen der mijninspecteurs, bedoeld in de art. 427, tweede lid, en 469, zevende lid, is hooger beroep op den chef der mijninspectie.

(2) In de gevallen, genoemd in de art. 378, eerste en derde lid, 386 eerste lid, 413 derde lid, 420 zesde lid en 535 tweede lid, is van de beslissingen van den chef der mijninspectie hooger beroep op eene commissie, bestaande uit den chef van het mijnwezen als voorzitter, den chef van het grondpeilwezen en een door den Directeur van Qnderwijs, Eeredienst en Nijverheid aan te wijzen mijningenieur, die tevens als secretaris optreedt. De commissie is verplicht om op verzoek van den concessionaris of diens vertegenwoordiger de door dezen aangewezen deskundigen te hooren. Zij beslist alleen in eene voltallige vergadering; de leden der commissie mogen zich niet van het uitbrengen van hun stem onthouden.

(3) De in hooger beroep genomen beslissingen worden op de daarvoor bestemde plaats, overeenkomstig het bepaalde bij het vierde lid van art. 361, in het mijnboek ingeschreven.

(4) De uitvoering der in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde beslissingen, waarvan in beroep is gekomen, wordt door het indienen van hooger beroep opgeschort, tenzij inmiddels gevaar ontstaat, in welk geval art. 362 en het zevende lid van art. 43 der Indische mijnwet van toepassing zijn.

Sluiten