is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen, en van twee fransche schepen uit St. Malo, die te Bantam handel wilden drijven, werd er één aangehouden, omdat het volgens Coen de nederlandsche vlag had beleedigd. Aan de Chineezen te Bantam, waar Coen slechts weinig soldaten had en buiten de factorij geen gebied bezat, werd door hem verboden peper te koopen, vóór de Compagnie zich had voorzien.

Toen Reael een jaar na zijn komst in Indië aftrad, werd Coen in 1617 het hoofd van het bestuur en kon bij trachten zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen.

Het lang gezochte „rendez-vous" stichtte hij in 1619 te Jacatra in het kasteel, dat op last der Heeren Zeventien den naam Batavia ontving. Maar dat was voor Coen slechts een begin; hij wilde verder. Verspreide kantoren met hier en daar kleine posten achtte hij niet voldoende. Voor de handhaving van het gezag tegen de inlanders mochten zij sterk genoeg zijn, tegen europeesche concurrenten waren'zij te zwak. Er moest gebied veroverd en daar moesten volksplantingen gesticht worden, als steunpunten voor kantoren en centra van productie voor de europeesche markt. De handel in Indië kon dan aan de kolonisten worden overgelaten, die met Europa een monopolie blijven van de Compagnie. Een tweede Holland zou in het Oosten verrijzen, dat op den duur met weinig kosten alle concurrentie het hoofd zou kunnen bieden. Zoo wilde Coen — zoo wilden niet de Bewindhebbers. Het zou neerkomen op eenige jaren van krijg met vele uitgaven en uitstel van dividenden. En om die laatste was het den Bewindhebbers te doen. Zij zaten bij de kas, Coen bij de vijanden.

Reeds voor hij de tegenwerking ten opzichte van zijn colonisatieplannen ondervond, had Coen een andere teleurstelling getroffen. Een jaar na de stichting van Batavia kreeg hij bericht van het, ook uit politieke overwegingen gesloten verbond tusschen de engelsche en de nederlandsche Oostindische Compagnieën, 't Was in 't voordeel der „onverdragelijke natie", aan welke een derde der specerijen zou toekomen. Evenwel met Coen als uitvoerder kon er van het verdrag in Indië niet veel terecht komen. De gemeenschappelijke „vloten van defensie" naar Voor-Indië, Macao en Manilla richtten weinig uit Coen maakte intusschen van den nood een deugd. Terwijl de geheele scheepsmacht der Engelschen met de expedities der „vloten van defensie" werd bezig gehouden, veroverde hij zonder hun bijstand de geheele Banda-groep. De Engelschen konden er hun nederzet-