is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op 60 of 75 stuivers. Het andere deel kregen zij in kleeren, waarop de Compagnie 75 % verdiende.

Reeds de eerste Gouverneurs hadden tot versterking der ongeregelde benden, waarmede zij tegen Portugeezen en inboorlingen moesten opereeren, Javanen en zelfs Japanneezen in dienst genomen. Ook later nog werd het europeesche gedeelte van het leger aangevuld met Amboineezen, Makassaren, Madoereezen en Javanen. Zij waren echter bij de expedities slechts in gering aantal aanwezig. Tot de inlandsche troepen, die meermalen op expedities meegingen, behoorden ook de Mardijkers, de derde of inlandsche afdeeling van de schutterij te Batavia. l)

Het geheele leger der Compagnie bestond uit ongeveer 10,000 man.

Het ligt voor de hand, dat een handelscompagnie voor de uitrusting van haar zeemacht, die tegelijk handelsvloot en oorlogsmarine was, meer over had dan voor haar leger. Aan de schepen toch werden soms kostbare vrachten toevertrouwd.

Groot waren die schepen niet. In 1659 bezat de Compagnie slechts 10 schepen van 1000—1200 ton. Het meerendeel der vaartuigen waren jachten van ongeveer 400 ton, en fluiten van denzelfden inhoud. Naast die grootere schepen waren in Indië voor de kustvaart, voor het overbrengen van berichten en voor oorlogsdoeleinden, als blokkades op ondiepe wateren, nog allerlei soort kleinere schepen in gebruik, galjoten, fregatten, chaloepen e. a. Soms waren zij in Indië zelf gebouwd, dikwijls ook op de Portugeezen veroverd. In 1657 had de Compagnie in Indië 160 schepen. *)

l) De schutterij te Batavia bestond uit:

1°. De Compagniesschutterij, bestaande uit de dienaren der Compagnie. 2°. De Burgerschutterij, gevormd uit de vrijburgers.

3°. De Mardijkers (orang mardika = vrije mensch), samengesteld uit allerlei inlanders. *) Volgens het „Summarium van de schepen, welcke tegenwoordigh in India sijn en blijven van 1 Febr. 1657 bestond de scheepsmacht van de Compagnie op dat tijdstip uit de volgende schepen:

4 retourschepen, 1200, 1100, en 1000 ton. 2 groote schepen (niet meer bruikbaar). 40 bequame goede jachten, 560—100 ton.

21 jachten niet sterck genoegh op harde vaarwaters, 380—40 ton. 6 hechte fluijten, 600—140 ton.

10 fluijten niet voor harde vaarwaters, 500—220 ton. 2 fluijten (één timmerschip en één afgelegt). 10 galjots, 100—60 ton.

6 portugeesche als andere fregats ± 60 ton.