is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strenger plakkaten uitgevaardigd, in 1642 meerendeels samengevat in het hoofdstuk „Van verboden handel" der Statuten van Batavia. l)

Het was verboden eenige contanten of goederen uit het vaderland naar Indië mee te nemen, en van Indië naar patria niet meer dan eenige kleinigheden, de waarde van twee maanden gage of (voor hen, die meer dan f 50 per maand verdienden) van f 100 niet te boven gaande. Alle meubelen en het huisraad moesten vóór het vertrek naar Indië verkocht worden. Het daardoor verkregen en eventueel reeds vroeger gespaarde geld werd aan de Compagnie afgegeven tegen een wissel op de kantoren der Compagnies te Amsterdam tegen een rente van 10 %•s) Geen brieven naar 't vaderland mochten met de schepen meegegeven worden buiten die, welke gedeponeerd waren in de „doose", die onder controle van de Regeering stond. 3)

In Indië was den dienaren alle handeldrijven „direct of indirect, hoedanich ende in wat manieren" verboden. De mannen werden aansprakelijk gesteld voor de handelingen hunner huisvrouwen.

De straffen, waarmede gedreigd werd, waren verbeurte der in beslag genomen goederen, verlies van ambt (qualiteyt) en inhouding van salaris.

Om den dienaren het drijven van handel te verhinderen, werden een reeks andere verordeningen uitgevaardigd, alle opgenomen in het Eeuwig Edict van 1631. Wie een particulieren brief overbracht, verbeurde twaalf maanden gage. Wie een schip in Straat Soenda, of op de reede van Batavia bezocht, vóórdat het drie etmalen voor anker had gelegen en door de daartoe aangestelde commissarissen was gevisiteerd, werd gedegradeerd in rang en salaris („deportement van qualiteyt en gage") en beboet met 100 realen. Aan de genoemde commissarissen moest ieder toestaan, dat zijn kisten en bagage werden onderzocht.

Het was zaak voor de Compagnie er voor te zorgen, dat de dienaren geen geld in handen hadden. Daarom ook was het verboden de achtergehouden maandgelden bij vertrek te verkoopen aan dienaren der Compagnie, hun geld a deposito te geven of meer dan vier maanden *) gage „tot nodich onderhout op hare reeckening te avanceren"

*) Van der Chijs, I p. 583 vlgg.

=) Artikelbrief van 2 Maart 1634, art 68. (Van der Chijs, I p. 331.)

3) Het „Eeuwig Edict" van 14 Juni 1631. (Van der Chijs, I p. 256 vlgg.)

*) Vgl. p. 18 noot 1. De verordening van 5 Maart 1645.