is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het zenden van tweejaarlijksche commissarissen niet de hand was gehouden. *)

Het is niet onmogelijk, en zelfs zeer aannemelijk, dat het gebrek aan „bequame stoffe" voor beide instellingen niet gunstig geweest is. Maar het mag ook betwijfeld worden, of de Hooge Regeering wel genegen was de proef te doen slagen. Zouden die werkzame, toeziende en onderzoekende inspecteurs, wier rapporten direct aan de Heeren Zeventien gezonden werden, en op wier schriftelijke en mondelinge raadgevingen de Hooge Regeering was aangewezen, vooral waar het gold inlichtingen ook over hooge ambtenaren van de Compagnie — zouden zulke door htm groote kennis van zaken feitelijk boven Gouverneur-Generaal en Raden staande ambtenaren door dezen wel gewenscht zijn?

Al werd dan aan de opdracht van 1626 tot de benoeming van de permanente commissarissen, noch aan die van 1650 tot de aanstelling van de tweejaarlijksche commissarissen uitvoering gegeven, de door Heeren Zeventien opgestelde instructie bleef richtsnoer voor iederen later ter inspectie uitgezonden commissaris. Zij werd hun meegegeven1 om, „deselve met aandacht ende opmerckinge na te lesen, de poincten daerin begrepen wel te verstaen ende deselve exactelijck te achtervolgen ende na te comen." *)

In den tijd van vijftig jaren was de Compagnie, gesticht als handelslichaam, naast koopman meer en meer souverein geworden. Zij had in Indië een koloniaal rijk gesticht en het bestuur er van geregeld.

Het monopolie der specerijen, dat zoo „smakelijke" winsten afwierp, had de begeerte naar meer monopolies opgewekt, naar de kaneel van Ceylon, de peper 3) van Malabar. Die bezat de Compagnie nog niet, toen het bestand met Portugal werd gesloten. Na de verovering van den specerij-handel had de Compagnie gestreefd naar de heerschappij over de vaart in den Archipel; de toenemende handel op

') Gen. Miss. 26 Jan. 1661.

*) Instructie voor Van Goens als commissaris van 19 Sept. 1653. Ook den 5den Sept. 1657 werd Van Goens een afschrift meegegeven. Op het Rijksarchief is nog een copie van de Instructie aanwezig, te Batavia gecollationeerd 16 Juli 1681.

3) Onder „specerijen" verstonden de dienaren der Compagnie de specerijen van de Molukken, waarvan de Compagnie het monopolie bezat. Daartoe behoorden dus niet peper, kaneel, cardemom etc