is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't lieve, vaderland, waarheen zijn beide zoons en zijn huisvrouw reeds vertrokken waren, terug te keeren. Vóór zijn vertrek in Januari 1655 werd hij door Gouverneur-Generaal en Raden vereerd met een dotatie van ƒ4000, en in patria begiftigden de Heeren Zeventien hem met een gouden keten ter waarde van ƒ600. Zijn hart vloeide over van godvruchtige dankbaarheid: „maakt uw knegt dankbaar O Heerel dat hij nooijt meer van Uwe geboden afwijke van nu tot in der eeuwigheijt. Amen. Hallelujahl" juicht hij den psalmist na.

Op aandringen van de Heeren Majores en om zijn eigen carrière te vervolgen besloot bij zich andermaal in dienst van de Compagnie te begeven met „expresse stipulatie", dat de eerste zetel aan de Hooge Tafel op het kasteel, die zou open komen, door hem als ordinaris lid zou worden ingenomen. Zoo vertrok hij 22 Nov. 1656 met zijn vrouw en zijn oudsten veertienjarigen zoon Ryckloff, assistent in dienst der Compagnie, als admiraal van de „vaderlantse equipagie" op het schip Orangie uit het Vlie. Na een reis van ruim zeven maanden arriveerde hij den lstEa Juli 1657 te Batavia, en nam twee dagen later, na den eed gepresteerd te hebben, weder zitting in Rade als extra-ordinaris Üd. *)

In dien Raad werd in die dagen beraadslaagd over een uitrusting naar de kust van Voor-Indië en Ceylon, om de Portugeezen zooveel mogelijk afbreuk te doen. De bevelhebber over die krijgsmacht zou tevens als commissaris de westelijke kwartieren inspecteeren. Van Goens, zoo juist uit patria terug, bood zich aan om die uitgebreide taak op zich te nemen. *) Zijn verleden, waarin hij de Compagnie gediend had in verschillende betrekkingen, die alle tezamen in deze groote opdracht besloten waren, maakte hem de aangewezen man om aan het hoofd van deze missie en vloot op te treden.

De „lange Kapitein" s) had bij den soesoehoenan van Mataram bewezen, hoe hij de kunst verstond met inlandsche vorsten om te gaan, en op zijn zending naar de westelijke kantoren waren zijn voortvarendheid en onversaagdheid als vlootvoogd duidelijk aan het licht getreden. Bij zijn aankomst in Suratte toch vernomen hebbend, dat drie engelsche schepen bij Diu kruisten op de uit Bassora verwachte

*) Daghregister gehouden in 't Casteel Batavia, 1656/57. Uitgegeven onder toezicht van Dr. J. de Hullu. 's Gravenhage 1903— 04, p. 203 vlg. *) Daghregister 1656/57, p. 213. *) De jonge. Opkomst VI, p. XLVII.