is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nederlandsche, had hij dadelijk, drie schepen en een chaloep afgezonden, om de Engelschen aan te vallen. Dat die aanval minder succes gehad had, dan verwacht kon worden, was niet zijn schuld, maar die van den bevelhebber over de schepen en de schippers geweest. Op zijn terugtocht had hij zijn groote zege op de Portugeezen behaald. *)

Als geloovig Christen was hij, meer dan de officieele formules vereischten, geneigd in alle succes Gods hand te zien, „den almogenden Godt de eere te geven" en „eeuwiglyck te dancken." Maar als dienaar van de Compagnie achtte hij het niet gewenscht naar „Christelycke maxime" met de inlandsche vorsten te handelen. *) Een zeventiende eeuwer van het Cromwellsche „vertrouw op God en houd je kruit droog."

Beneden Hoofdstuk DL *) De jonge. Opkomst, VI, p. IV vlg.: „De Christelycke maxime, die U.E. continueel hebben voor gehad, om den handel van d'Ed. Comp. in vrede en vriendschap met alle Indische grooten te vervolgen, is bij deselve qualyck geïnterpreteerd. Niemand is er in gansch Indië, die ons goed gunt, ja wij worden van alle natiën doodelyck gehaat. Door ons zei ven te declineren, achten zij ons des te minder en daardoor is oock verdwenen zelfs de geveynsde liefde. Naar mijn oordeel zal vroeg of laat de oorlog scheidsman moeten worden." (Aangehaald uit: Vertoogh wegens den presenten staet van de Nederl. geoctr. O.-I. C. door Ryckloff van Goens in 1655, uitgegeven in Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederl.-Indië, 1856).